Snøfallvik

Hoofdstuk 10 – Vuur en Stilte

De volgende dagen graaf je.

Niet letterlijk – de grond is bevroren, meters diep, ondoordringbaar voor elke schop. Maar je graaft in de geschiedenis van het dorp, in de documenten die je hebt gevonden, in de fragmenten van waarheid die verspreid liggen over Snøfallvik als puzzelstukjes die wachten om te worden samengevoegd.

Je doorzoekt de kerk als Peder er niet is. In de sacristie vind je registers – doopregisters, huwelijksregisters, begrafenisregisters – die teruggaan tot 1743. De namen veranderen, maar de patronen blijven hetzelfde. Elke winter sterven er mensen. Soms een paar, soms tientallen. En elke lente komen er nieuwe families aan, aangetrokken door... door wat?

De brochures bestaan nog niet in 1743, besef je. Die zijn later gekomen, aangepast aan de moderne tijd. Maar wat was er daarvoor? Hoe lokten ze mensen voordat er drukpersen waren, voordat er wegen waren, voordat er vliegtuigen waren?

Je vindt het antwoord in een oud, vergeeld document dat verborgen zit tussen de bladzijden van een psalm-boek. Het is een brief, gedateerd 1761, geschreven door een dominee wiens naam je niet kunt ontcijferen.

Aan mijn opvolger,

Als u dit leest, ben ik niet meer. De berg heeft mij geroepen.

Ik heb veertig jaar geprobeerd te begrijpen wat hier leeft. Ik heb gebeden, rituelen uitgevoerd, alles geprobeerd. Niets werkte.

Maar ik heb iets ontdekt. Iets wat misschien belangrijk is.

Het klopt. Het vraagt. Het verleidt. Maar het komt nooit zomaar binnen.

Denk daarover na. Waarom kloppen ze? Waarom vragen ze? Als ze zo machtig zijn – waarom nemen ze niet gewoon?

Ik heb geen antwoord. Alleen een vermoeden. En een hoop die misschien valse hoop is.

Moge God u beschermen. Want ik weet niet of Hij dat kan.

Je leest de brief drie keer. De woorden malen door je hoofd.

Het klopt. Het vraagt. Maar het komt nooit zomaar binnen.

Je denkt aan de figuren die 's nachts op je deur kloppen. Aan Marens stem die om binnenkomst vraagt. Aan de stemmen die altijd verleiden, nooit dwingen.

Er zit een patroon in. Een regel. Maar welke?

Je stopt de brief in je jaszak. Je loopt naar buiten, de kou in, de duisternis in die nu permanent is – de poolnacht is eindelijk volledig ingetreden, en de enige lichtbronnen zijn de lantaarns van het dorp en de occasionele glinstering van het noorderlicht.

Je hebt een besluit genomen.

Je loopt naar het gebouw aan het einde van de kade. De oude conservenfabriek, had Erik het genoemd. Het gebouw waar je nooit mocht komen. De vloeren zijn verrot, had hij gezegd. De muren kunnen elk moment instorten.

Maar je weet nu dat dat leugens waren. Alles wat Erik zei waren leugens, of in ieder geval halve waarheden. En als er antwoorden zijn – echte antwoorden – dan zijn ze daar. In de plek die ze willen dat je vermijdt.

De deur van de fabriek is niet op slot. Hij zit vast door ijs en verwaarlozing, maar met wat duwen en trekken krijg je hem open. De geur die naar buiten komt is overweldigend – oud en zoet en rottend, dezelfde geur als in de caravans maar intenser, geconcentreerder.

Je gaat naar binnen.

De fabriek is groter dan je had verwacht. De ruimte strekt zich uit in de duisternis, gevuld met schaduwen van machines die al decennia niet meer hebben gedraaid. Je lamp – een oude olielamp die je in je huis vond – werpt een kleine cirkel van licht, net genoeg om te zien waar je loopt.

De vloeren zijn niet verrot. De muren zijn stevig. De hele structuur is intact, alsof iemand hem al die jaren heeft onderhouden in het geheim.

Je loopt dieper de fabriek in. Voorbij de machines, voorbij de lege containers die ooit vis bevatten, voorbij de kantoren waar stoffige bureaus staan met papieren die al tientallen jaren niet zijn aangeraakt.

En dan vind je de trap.

Hij leidt naar beneden, naar een kelder die niet op de bouwtekeningen zou staan, naar een duisternis die dikker is dan alles wat je ooit hebt ervaren. Je aarzelt. Elke vezel in je lichaam schreeuwt dat je moet omkeren, moet vluchten, moet vergeten wat je hebt gezien.

Maar je bent zo ver gekomen. Je hebt te veel opgegeven om nu te stoppen.

Je daalt af.

De trap is lang, langer dan logisch zou zijn voor een kelder onder een fabriek. Je telt de treden – twintig, dertig, vijftig – tot je de tel kwijtraakt en alleen nog maar loopt, naar beneden, naar beneden, naar beneden.

Uiteindelijk bereik je de bodem.

De ruimte is groot. Groter dan de fabriek erboven. De muren zijn gemaakt van steen – niet het hout van het dorp, niet het beton van moderne constructies, maar oude, oude steen, bedekt met dezelfde runen als het altaar op de berg.

En in het midden staat iets.

Het is een zuil. Een zuil van ijs, minstens drie meter hoog, die gloeit met een licht dat van binnenuit lijkt te komen. Het licht is groen – hetzelfde groen als de lichten op het water, als de ogen van de figuren in de nacht. En in het ijs, vaag zichtbaar door de bevroren lagen, zijn vormen.

Gezichten.

Tientallen gezichten, misschien honderden, bevroren in het ijs alsof ze daar al eeuwen zitten. Sommige zijn verwrongen van angst. Andere zijn kalm, bijna vredig. En sommige – sommige glimlachen. Die glimlach die je zo goed kent. Die glimlach die niet van henzelf is.

Je herkent gezichten. Maren is er. Lars. De Anderssons, allemaal drie, naast elkaar bevroren. Erik – of wie Erik ooit was – ergens in het midden, met ogen die open zijn en naar niets staren.

En onderaan, bijna aan de voet van de zuil, is een gezicht dat je maar al te goed kent.

Het jouwe.

Je struikelt achteruit. Je lamp valt bijna uit je handen. Het kan niet – je staat hier, je leeft, je ademt – maar daar ben je, bevroren in het ijs, met een uitdrukking die je niet kunt lezen.

Hoe is dat mogelijk?

En dan begrijp je het.

De foto van honderd jaar geleden. De manier waarop je naar dit dorp werd getrokken. De reden waarom de berg je nog niet heeft geroepen.

Je bent er al geweest. Je bent hier al eerder geweest, misschien vele malen. Je bent gestorven in dit dorp, bent toegevoegd aan deze verzameling, bent een van de vele gezichten in het ijs. Maar op de een of andere manier – op een manier die je niet begrijpt – ben je ook teruggekomen. Steeds weer opnieuw.

Je bent niet zomaar een slachtoffer.

Je bent een cyclus.

"Je begrijpt het nu."

De stem komt van overal en nergens. Je draait je om, zoekend naar de bron, maar er is niemand. Alleen de zuil, de gezichten, en de duisternis die steeds dichter lijkt te worden.

"Je bent bijzonder. Dat ben je altijd geweest. De eerste die weigerde te blijven. De eerste die terugkwam, steeds weer, op zoek naar antwoorden. Op zoek naar vrijheid."

"Wie ben je?" Je stem echoot door de ruimte.

"Ik ben wat altijd is geweest. Ik ben de honger. De winter. Het eeuwige. En jij—" de stem wordt zachter, bijna teder "—jij bent mijn grootste fascinatie. De enige die weigert te accepteren. De enige die blijft vechten, leven na leven, dood na dood."

"Wat wil je van me?"

Een stilte. De groene gloed van de zuil pulseert, langzaam, als een hartslag.

"Ik wil dat je stopt met vechten. Ik wil dat je accepteert. Ik wil dat je je bij ons aansluit – niet als slachtoffer, maar als gelijke. Je bent te sterk om simpelweg verteerd te worden. Maar samen... samen kunnen we eeuwig zijn."

Je denkt aan de brief van de dominee. Het kan niet nemen wat vrijwillig wordt gegeven. Is dit wat hij bedoelde? Is dit het moment van keuze?

"En als ik weiger?"

Een lach. Niet de lach van de figuren in de nacht, maar iets ouders, iets dat de fundamenten van de aarde lijkt te doen trillen.

"Dan begint de cyclus opnieuw. Je sterft. Je wordt herboren, ergens in de wereld. Je vindt de brochure. Je komt terug. En we doen dit allemaal opnieuw." Een zucht, bijna weemoedig. "Het maakt mij niet uit. Ik heb alle tijd. Maar jij... jij raakt uitgeput. Elke cyclus laat minder van je over. Elke dood neemt iets mee wat nooit terugkomt. Hoe lang nog, denk je, voordat er niets meer te nemen valt?"

Je staat daar, in die ondergrondse ruimte, met het gewicht van eeuwen op je schouders. De keuze is onmogelijk. Accepteren betekent verliezen – je identiteit, je menselijkheid, alles wat je bent. Weigeren betekent dit allemaal opnieuw doen, zonder garantie dat je ooit zult winnen.

Maar dan denk je aan iets anders.

De dominee schreef dat het moest lokken, verleiden, misleiden. Het kon niet nemen wat vrijwillig werd gegeven. Maar hij schreef ook dat niemand ooit had geweigerd met volledig bewustzijn.

Tot nu toe heb je geweigerd uit angst. Uit onwetendheid. Uit instinct.

Wat als je weigerde uit keuze?

Je haalt diep adem. De kou vult je longen. De duisternis drukt op je ogen. Maar ergens diep in je, op een plek die de cycli niet hebben bereikt, gloeit iets.

"Nee."

Het woord echoot door de ruimte. De zuil flikkert. De stemloze stem is stil.

"Ik weiger. Niet uit angst. Niet uit wanhoop. Ik weiger omdat ik kies om te weigeren. Omdat wat je ook bent, wat je ook belooft, ik weet dat het een leugen is. Er is geen eeuwigheid. Er is alleen honger. En ik weiger om voedsel te zijn."

Een moment van stilte. Absoluut, compleet, alsof de wereld zelf haar adem inhoudt.

En dan begint de zuil te scheuren.

Het geluid is oorverdovend. Het ijs barst, splinters schieten door de lucht, het groene licht flakkert en dooft en flakkert weer. De gezichten in het ijs beginnen te bewegen – monden die openen in stille schreeuwen, ogen die ronddraaien, handen die reiken naar iets wat er niet is.

Je rent.

De trap op, door de fabriek, naar buiten, de nacht in. Achter je hoor je gebulder – het instorten van steen, het krijsen van iets wat geen menselijke stem heeft, het einde van iets wat niet had moeten bestaan.

Je blijft rennen tot je niet meer kunt. Tot je midden op het dorpsplein staat, hijgend, met handen die bloeden van de ijssplinters en ogen die branden van de tranen.

Achter je, bij de haven, staat de fabriek in brand.

Je weet niet hoe. Je hebt geen vuur aangestoken, geen lamp achtergelaten. Maar de vlammen laaien hoog, oranje en rood tegen de zwarte hemel, en de rook stijgt op in kolommen die de sterren verdoezelen.

De dorpelingen komen naar buiten. Ze staan in de straten, starend naar het vuur, met gezichten die je niet kunt lezen. Sommigen huilen. Anderen lachen. En sommigen – sommigen kijken naar jou met ogen die voor het eerst in lange tijd helder zijn.

Je weet niet wat je hebt gedaan. Je weet niet of het genoeg is, of het iets heeft veranderd, of morgen alles gewoon weer begint.

Maar vannacht, voor het eerst sinds je naar Snøfallvik kwam, voel je iets wat lijkt op hoop.

Het vuur brandt de hele nacht.

En in de stilte die volgt, in de as en de rook en de schemering van een nieuwe dag, begint iets nieuws.