Snøfallvik

Hoofdstuk 13 – Angst

De terugkeer naar het dorp verandert alles.

Als jullie aankomen en vertellen wat er is gebeurd – dat de grens kan worden overgestoken, dat vrijheid mogelijk is, maar alleen voor degenen die niet vluchten – is er eerst ongeloof. Dan hoop. Dan, langzaam, begrip.

"Het gaat niet om fysiek ontsnappen," legt Astrid uit aan de verzamelde dorpelingen in de grote hal. "Het gaat om mentaal loslaten. Zolang je wanhopig bent, zolang je rent, houdt de grens je tegen. Maar als je gaat omdat je ervoor kiest te gaan, niet omdat je moet vluchten..."

De dagen erna zijn een oefening in geduld. Sommige mensen begrijpen het meteen. Ze vertrekken de volgende ochtend, lopend met kalme passen, en bereiken de buitenwereld zonder problemen. Ze sturen zelfs berichten terug – echte berichten, via telefoons die ze kopen in de eerste stad die ze bereiken, met nieuws over hun aankomst, hun herintegratie, hun nieuwe levens.

Anderen hebben meer tijd nodig. De angst die ze zo lang hebben gedragen, laat zich niet gemakkelijk loslaten. Ze proberen te vertrekken en worden teruggestuurd. Ze proberen het opnieuw en falen opnieuw. Sommigen geven het op en accepteren dat Snøfallvik hun thuis zal blijven.

En sommigen – een klein aantal, maar genoeg om zorgen te baren – worden erger in plaats van beter.

Het begint met Helga, de oudere vrouw die meeging op de eerste zoektocht naar Maren. Ze begint te praten over stemmen die ze hoort, over figuren die ze ziet, over een roep die haar naam fluistert in de nacht. De symptomen zijn bekend – het zijn dezelfde symptomen die je in de eerste weken zelf had, dezelfde voortekenen van wat er gebeurt als de berg begint te trekken.

Maar je hebt de greep verzwakt. De berg zou niet meer moeten kunnen trekken. Niet zo sterk. Niet zo duidelijk.

Je gaat naar Peder met je zorgen. De dominee luistert met een gezicht dat steeds donkerder wordt.

"De honger is niet weg," zegt hij als je klaar bent. "Dat wisten we. We hoopten dat de verzwakking genoeg zou zijn, dat we tijd zouden hebben om te herstellen. Maar misschien..." Hij zwijgt. Kijkt naar de vloer.

"Misschien wat?"

"Misschien heeft het geleerd. Aangepast. Het bestaat al duizenden jaren. Het heeft overlevers gezien – mensen die ontsnapten, mensen die weigerden. Elke keer heeft het zich aangepast." Hij kijkt je aan met ogen die te vermoeid zijn voor zijn leeftijd. "Misschien past het zich nu ook aan. Misschien vindt het nieuwe manieren om te lokken."

Die nacht droom je voor het eerst in weken.

Je staat op de berg, bij het altaar dat je hebt gezien op die vreselijke dag. Maar het altaar is niet leeg. Er ligt iemand op – niet Maren, niet Lars, maar iemand anders. Iemand met een gezicht dat je niet kunt zien, maar een aanwezigheid die je herkent.

Jezelf.

"Je dacht dat het voorbij was."

De stem is terug. De stem van de berg, van de honger, van wat er altijd is geweest. Maar hij is anders nu. Zwakker misschien, maar ook... scherper. Meer gefocust.

"Je dacht dat je had gewonnen. Dat je de mensen had bevrijd. Dat je de grens had gebroken." Een lach, zacht en koud. "Maar je hebt alleen de regels veranderd. Het spel gaat door. Het gaat altijd door."

"Wat wil je?"

"Wat ik altijd heb gewild. Gezelschap. Eeuwigheid. Jou." De stem wordt zachter, bijna teder. "Je bent bijzonder. Dat heb ik je gezegd. Je bent de eerste in eeuwen die echt heeft geweigerd. Maar weet je wat er gebeurt met degenen die weigeren?"

Je zegt niets. Je wacht.

"Ze worden niet vergeten. Ze worden niet met rust gelaten. Ze worden... geobsedeerd. Ik kan je niet dwingen om te komen. Dat heb je bewezen. Maar ik kan je laten willen komen. Ik kan de angst laten groeien, langzaam, tot je niet meer kunt slapen. Tot je niet meer kunt ademen. Tot het enige wat je wilt is dat het stopt."

"Ik ben niet bang voor je."

"Nog niet." De stem lacht weer. "Maar de winter is lang. En ik heb alle tijd van de wereld."

Je schrikt wakker. De kamer is donker. De kachel is bijna uit. En op de rand van je gehoor, zo zacht dat je niet zeker weet of je het echt hoort, is er gezang.

De dagen die volgen zijn moeilijk.

Helga verdwijnt. Niet zoals Maren verdween, niet in een storm. Ze loopt gewoon op een ochtend het dorp uit, met een glimlach op haar gezicht en een blik in haar ogen die nergens naar kijkt. Ze loopt naar de berg. Niemand probeert haar tegen te houden. Niemand weet hoe.

Dan verdwijnt er nog iemand. En nog iemand. Niet in grote aantallen, niet zoals vroeger. Maar genoeg om de hoop te doen wankelen die zo voorzichtig was opgebouwd.

En jij – jij begint dingen te zien.

Het begint klein. Een schaduw die beweegt in je ooghoek. Een gezicht dat verschijnt in de weerspiegeling van een raam. Een stem die je naam fluistert als je alleen bent. Je probeert het te negeren. Je probeert jezelf ervan te overtuigen dat het verbeelding is, stress, gebrek aan slaap.

Maar het wordt erger.

De figuren die je 's nachts zag toen je net aankwam – ze zijn terug. Ze staan buiten je raam, starend, wachtend. Ze kloppen niet meer. Ze vragen niet om binnen te komen. Ze zijn er gewoon, een constante herinnering dat je niet hebt gewonnen. Dat je alleen maar uitstel hebt gekregen.

Je praat erover met niemand. Wat zou je moeten zeggen? Dat de held die het dorp bevrijdde nu zelf wordt achtervolgd? Dat degene die anderen heeft geleerd om hun angst los te laten, zelf gevangen zit in angst die steeds groter wordt?

Op een nacht – je weet niet meer welke nacht, de tijd is weer begonnen te vervagen – zit je bij het raam en kijk je naar de figuren die buiten staan. Er zijn er tientallen nu, misschien honderden. Ze vullen de straat voor je huis, ze staan op de daken, ze zweven boven de grond. Hun ogen gloeien groen in de duisternis.

En te midden van hen, vooraan, staat iemand die je herkent.

Maren.

Ze ziet er niet uit zoals je haar herinnert. Haar huid is bleek, bijna doorschijnend. Haar ogen zijn niet meer bruin maar groen, gloeiend met hetzelfde licht als de anderen. Maar haar gezicht – haar gezicht is nog steeds het hare. De vrouw die je leerde kennen in de grote hal. De vrouw die zei dat je eraan zou wennen.

Ze kijkt naar je. Ze heft haar hand. Ze wijst naar je deur.

Kom, zegt ze zonder geluid. Het is tijd. Je hebt lang genoeg gewacht.

Je staat op. Je loopt naar de deur. Je hand rust op de klink.

En dan stop je.

Je herinnert je de brief van de dominee. Het kan niet nemen wat vrijwillig wordt gegeven. Je herinnert je je eigen weigering, in de kelder van de fabriek, toen je koos om niet te accepteren. Je herinnert je wat Astrid zei over de grens – dat het gaat om hoe je gaat, niet dat je gaat.

De angst is echt. De figuren zijn echt. De stem die je hoort, de visioenen die je ziet – allemaal echt.

Maar je keuze is ook echt.

Je draait je om, weg van de deur. Je loopt naar het raam en trekt de gordijnen dicht. Je gaat zitten bij de kachel en voegt hout toe aan het vuur.

De angst blijft. De stem fluistert. De figuren wachten.

Maar jij beweegt niet.

Die nacht is de langste van je leven. Elke seconde trekt voorbij als een uur. De stemmen worden luider, de visioenen intenser. Op sommige momenten weet je niet meer wat echt is en wat niet. Op sommige momenten wil je niets liever dan opstaan en de deur openen en eindelijk, eindelijk rust vinden.

Maar je blijft zitten. Je blijft weigeren.

En als de ochtend eindelijk komt – als de schemering door de randen van je gordijnen schemert – is het stil.

Volledige, absolute stilte.

Je staat op met benen die trillen van uitputting. Je opent de gordijnen. De straat is leeg. De figuren zijn weg. De sneeuw is ongerept, zonder een enkele voetstap te bekennen.

Je opent de deur. De kou stroomt naar binnen, fris en zuiver, zonder de ondertoon van dreiging die je zo lang hebt gevoeld.

En op de stoep, waar de figuren stonden, ligt iets.

Een brochure.

Je bukt je om hem op te pakken. Het papier is koud – niet warm zoals de vorige brochures, niet gloeiend van een energie die je niet begreep. Gewoon koud, zoals papier koud zou moeten zijn in de winter.

Je slaat hem open.

De tekst is anders dan alle brochures die je eerder hebt gezien.

Tot de volgende keer, staat er. Niets meer. Geen beloftes. Geen dreigingen. Alleen die drie woorden, geschreven in een handschrift dat onmogelijk oud lijkt.

Je verfrommelt de brochure. Je gooit hem in de sneeuw. Je kijkt hoe de wind hem meeneemt, weg van je huis, weg van het dorp, naar een plek die je niet kent.

Het is niet voorbij. Dat weet je. Het zal nooit echt voorbij zijn.

Maar vannacht heb je gewonnen. Vannacht heb je de angst verslagen.

En dat is genoeg.

Voor nu is dat genoeg.