Snøfallvik

Hoofdstuk 14 – De Overgave

De winter gaat voorbij.

Niet letterlijk – de poolnacht duurt nog maanden, de sneeuw zal pas in mei beginnen te smelten, de kou zal tot ver in de zomer blijven hangen. Maar er is een verschuiving. Een verandering die je niet kunt aanwijzen maar die je voelt in elk aspect van het leven in Snøfallvik.

De druk is minder. De stemmen zijn stiller. De figuren verschijnen nog steeds, soms, in de diepste uren van de nacht – maar ze zijn zwakker nu. Vager. Alsof de herhaalde weigeringen hen hebben uitgeput, hebben gedwongen om hun kracht elders te zoeken.

Het dorp begint te herstellen. Mensen die maandenlang in hun huizen hebben gezeten, komen naar buiten. De vissers varen weer uit, ook al is de zee nog half bevroren. De bakker bakt brood. De kinderen spelen in de sneeuw.

Gewone dingen. Menselijke dingen. Dingen die je bijna vergeten was.

Je hebt een routine ontwikkeld. Je staat op bij de eerste schemering. Je ontbijt met brood en kaas en thee die te sterk is. Je helpt waar je kunt – met hout hakken, met sneeuw ruimen, met het organiseren van de groepen die nog steeds vertrekken naar de buitenwereld.

Niet iedereen vertrekt. Sommigen kiezen ervoor te blijven, om dezelfde reden als jij hebt gekozen: niet omdat ze moeten, maar omdat ze willen. Snøfallvik is nog steeds hun thuis. De berg is nog steeds een bedreiging. Maar het is een bedreiging die ze kennen, een vijand die ze begrijpen, een duisternis waarmee ze hebben geleerd te leven.

Gunnar is gebleven. De oude visser heeft geen familie in de buitenwereld, geen huis om naar terug te keren, geen leven dat op hem wacht. Hij zegt dat hij liever hier sterft, waar hij thuishoort, dan als vreemdeling in een wereld die hem is vergeten.

Peder is ook gebleven. Op een middag zoek je hem op in de kerk.

Hij zit op de voorste bank, starend naar het altaar. Niet biddend – alleen starend. Als je binnenkomt kijkt hij niet om.

"Ik wist dat je zou komen," zegt hij. "Vroeg of laat."

Je gaat naast hem zitten. De kerk is koud, kouder dan buiten. De kaarsen zijn niet aangestoken.

"Ik denk veel aan hen," zeg je. "Maren. Lars. Helga." Je stopt. "Ik weet niet eens wat er met Helga is gebeurd."

"Ze is vertrokken. Een week na de langste nacht." Peder sluit zijn ogen. "Naar het zuiden. Naar familie die ze nog had." Een stilte. "Ze was een van de gelukkigen."

"En Maren?"

De vraag hangt in de lucht. Peder antwoordt niet meteen. Zijn handen vouwen en ontvouwen zich op zijn schoot.

"Maren is weg," zegt hij uiteindelijk. "Niet dood, niet levend. Weg. Opgenomen in wat er leeft in de berg." Hij kijkt je aan. "Ze was niet te redden. Dat moet je begrijpen. Tegen de tijd dat we haar vonden, was ze al—"

"Ik weet het." Je stem is schor. "Maar ik blijf denken: wat als ik sneller was geweest? Wat als ik haar eerder had gewaarschuwd?"

"Dan zou het iemand anders zijn geweest." Peders stem is vermoeid. Oud. "Het vraagt altijd. Het neemt altijd. Het enige wat we kunnen doen is ervoor zorgen dat het minder neemt dan het wil."

Jullie zitten in stilte. De wind ruist tegen de ramen.

"Geloof je nog?" vraag je uiteindelijk. "Na alles wat je hebt gezien?"

Peder lacht – een kort, bitter geluid. "Geloven? Ik weet niet meer wat dat woord betekent." Hij staat op, loopt naar het altaar, legt zijn hand op het houten kruis. "Ik weet dat er iets is. Iets groters dan wij. Maar of het goed is, of het luistert, of het iets geeft om ons..." Hij schudt zijn hoofd. "Ik weet het niet meer."

"Maar je blijft bidden."

"Omdat het het enige is wat ik kan." Hij draait zich om. "En omdat stoppen zou betekenen dat ze hebben gewonnen. Maren. Lars. Iedereen die we hebben verloren – ze verdienen het dat iemand hun namen blijft noemen. Dat iemand blijft proberen."

Je staat op. Je loopt naar hem toe. Voor het eerst sinds je hier bent, omhels je de oude dominee – deze man die zijn geloof heeft verloren maar zijn hoop niet.

Hij verstijft eerst. Dan ontspant hij. Zijn schouders schokken, één keer, twee keer – de stille snikken van iemand die te lang sterk heeft geprobeerd te zijn.

"We kunnen niet iedereen redden," fluister je. "Maar we kunnen het blijven proberen."

"Ja." Zijn stem is gebroken. "Dat kunnen we."

Je verlaat de kerk als de schemering valt. Peder blijft achter, knielend voor het altaar, zijn lippen bewegend in een gebed waarvan hij niet weet of het gehoord wordt.

Maar hij probeert het.

Dat is misschien genoeg.

Astrid is een tijdje vertrokken, naar de wereld die ze decennia geleden achterliet. Ze kwam terug na twee weken, stiller dan voorheen maar ook op een bepaalde manier vreder. Ze zegt dat er niets meer voor haar was daarbuiten. Dat Snøfallvik nu haar plek is.

Je begrijpt wat ze bedoelt.

Op een avond, als de schemering net is overgegaan in volledige duisternis, loop je naar de berg.

Niet ver. Niet naar het altaar, niet naar de plek waar je Maren vond en Lars verloor. Alleen naar de voet, waar het bos begint en de rotsen oprezen tegen de sterrenhemel.

Je gaat zitten op een boomstam en je kijkt omhoog, naar de berg die zo veel levens heeft gekost, naar de duisternis die zo veel angst heeft veroorzaakt. De kou bijt in je wangen. De wind fluistert door de bomen. En ergens, diep in de berg, voelt er iets.

"Je bent teruggekomen."

De stem is er nog steeds. Zwakker, ja. Verder weg. Maar nog steeds aanwezig.

"Ik ben teruggekomen."

"Waarom?"

Je denkt na over de vraag. Waarom ben je hier? Waarom zit je aan de voet van de berg die je heeft geprobeerd te vernietigen, in gesprek met het ding dat je heeft geprobeerd op te slokken?

"Omdat ik wil begrijpen," zeg je uiteindelijk. "Wat je bent. Waarom je doet wat je doet. Waarom je niet gewoon... stopt."

Een stilte. Lang. De wind waait. De sterren schijnen.

"Ik kan niet stoppen." De stem is anders nu. Niet dreigend. Bijna... vermoeid. "Net zomin als jij kunt stoppen met ademen. Het is wat ik ben. Wat ik altijd ben geweest."

"Maar je kunt kiezen wie je neemt. Je kunt kiezen om niet te nemen."

"Kan ik dat? Kan jij kiezen om niet te eten? Om niet te drinken?" Een zucht, als wind door een grot. "Ik heb geprobeerd niet te nemen. Eeuwen geleden, toen ik nog jong was, toen ik nog dacht dat er een andere manier was. Maar de honger wordt alleen maar erger. De pijn wordt alleen maar groter. Tot het enige wat overblijft, is het nemen."

"Dus je bent ook een gevangene."

Een lange stilte. De berg lijkt te aarzelen, als een mens die overweegt of hij de waarheid zal spreken.

"Ja." Het woord komt eruit als een fluistering, bijna te zacht om te horen. "Ik ben ook een gevangene. Gevangen in dit lichaam van steen en ijs. Gevangen in deze honger die nooit verzadigd wordt. Gevangen in een bestaan dat geen einde kent en geen doel heeft behalve overleven."

Je had dit niet verwacht. Je had woede verwacht, dreigingen, een nieuwe poging om je te verleiden. Niet dit. Niet kwetsbaarheid.

"Is er een manier om je te bevrijden? Om dit te beëindigen – voor jou, voor ons, voor iedereen?"

"Als die er was, had ik hem al gevonden. Ik heb duizenden jaren gezocht. Duizenden zielen geconsumeerd, op zoek naar het antwoord." Een bittere lach. "Maar er is geen antwoord. Er is alleen dit. Eeuwig. Onveranderlijk."

Je zit daar, in de kou en de duisternis, en je voelt iets wat je niet had verwacht te voelen. Medelijden. Niet sympathie – je vergeet niet wat deze entiteit heeft gedaan, hoeveel levens ze heeft genomen, hoeveel pijn ze heeft veroorzaakt. Maar medelijden voor een wezen dat net zo gevangen is als zijn slachtoffers, dat net zo wanhopig is, dat net zo graag zou willen dat het anders was.

"Ik kan je niet bevrijden," zeg je. "Ik weet niet hoe. Misschien weet niemand hoe."

"Ik weet het."

"Maar ik kan je iets anders aanbieden. Een... wapenstilstand, zou je het kunnen noemen."

De berg is stil. De wind houdt zijn adem in.

"De mensen die hier wonen – de mensen die kiezen om te blijven – laat hen met rust. Neem niet van degenen die weigeren. Zoek je voedsel elders, bij degenen die niet weten wat je bent, bij degenen die niet hebben geleerd om nee te zeggen."

"En wat krijg ik ervoor terug?"

Je denkt na. Wat heb je te bieden aan een wezen dat al duizenden jaren bestaat, dat bergen kan verplaatsen en zielen kan oogsten?

"Gezelschap," zeg je uiteindelijk. "Niet als voedsel. Niet als slachtoffer. Maar als... als iemand die praat. Die luistert. Die begrijpt dat je niet alleen maar een monster bent."

Een lange stilte. Zo lang dat je denkt dat je misschien te ver bent gegaan, dat je het wezen hebt beledigd, dat het elk moment kan toeslaan.

Maar dan, zacht en aarzelend, komt het antwoord.

"Niemand heeft dat ooit aangeboden. In al die eeuwen. Niemand heeft ooit gevraagd of ik eenzaam was."

"Ben je dat? Eenzaam?"

"Ja." Het woord is nauwelijks meer dan een ademtocht. "Eenzamer dan je je kunt voorstellen."

Je staat op. Je klopt de sneeuw van je kleding. Je kijkt omhoog naar de berg, naar de sterren, naar de onmetelijke duisternis die je omringt.

"Dan kom ik terug," zeg je. "Morgen. En de dag daarna. Niet om te vechten. Niet om te vluchten. Alleen om te praten."

Je draait je om en loopt terug naar het dorp. De wind in je rug is niet langer vijandig. De duisternis om je heen is niet langer bedreigend. Het is gewoon de nacht. Gewoon de winter.

Gewoon een plek waar je hebt geleerd om te leven.

Achter je, in de berg, fluistert iets. Geen woorden. Geen dreigingen. Alleen een gevoel, zacht en onzeker, dat je misschien zou kunnen interpreteren als dankbaarheid.

Of misschien als hoop.

Het is niet de overwinning die je ooit had gedroomd. Het is niet het einde van de honger, niet de bevrijding van alle slachtoffers, niet de triomf van licht over duisternis.

Het is iets kleiner. Iets menselijker.

Het is twee vijanden die erkennen dat ze allebei gevangenen zijn. Twee wezens die besluiten om niet langer te vechten. Twee eenzame zielen die in de duisternis naar elkaar reiken.

Misschien is dat genoeg.

Misschien is dat alles wat we ooit kunnen hopen.

De sneeuw valt zachtjes als je thuiskomt. Je opent je deur, gaat naar binnen, zet water op voor thee.

En voor het eerst in heel lange tijd voel je iets wat lijkt op vrede.