Snøfallvik
Hoofdstuk 2 – De Reis Naar Het Noorden
De e-mail komt drie dagen later.
Je bent de aanmelding bijna vergeten. Bijna. Ergens in een hoekje van je gedachten zit het nog, een klein vonkje dat je probeert te negeren. Het voelt dwaas nu, in het harde licht van de werkelijkheid. Een dorp in Noorwegen? Een nieuw begin? Je hebt geen geld voor een treinkaartje naar de volgende stad, laat staan voor een reis naar Scandinavië.
Maar dan piept je telefoon.
Beste heer/mevrouw,
Hartelijk dank voor uw interesse in Snøfallvik. Wij hebben uw aanmelding met grote belangstelling gelezen. Uw profiel past uitstekend bij wat wij zoeken.
Als u nog steeds geïnteresseerd bent in een nieuw begin, nodigen wij u uit voor een persoonlijk gesprek. Onze vertegenwoordiger, mevrouw Astrid Lindqvist, zal aanstaande donderdag in uw regio zijn. Zij zou u graag ontmoeten op een locatie naar keuze.
Mocht u besluiten om naar Snøfallvik te komen, dan worden alle reiskosten vergoed. Huisvesting wordt geregeld. U hoeft niets mee te nemen behalve uzelf.
De sneeuw valt. Wij wachten.
Met vriendelijke groet,
Het Welkomstcomité van Snøfallvik
Je leest de e-mail drie keer. Alle reiskosten vergoed. Huisvesting geregeld. Het klinkt te mooi om waar te zijn. Het klinkt als oplichterij. Als mensenhandel. Als een true crime-podcast die nog moet worden opgenomen.
Maar je hebt niets te verliezen.
Die gedachte komt koud en hard, en je probeert hem weg te duwen, maar hij blijft hangen. Je hebt geen baan. Geen partner. Geen huisdier, zelfs geen plant die op je wacht. Je huurcontract loopt volgende maand af en je hebt geen idee hoe je de volgende termijn moet betalen. Als dit oplichterij is, wat kunnen ze je dan afnemen?
Je typt een antwoord. Donderdag. Twee uur. Het café op de hoek van de Marktstraat.
De bevestiging komt binnen een minuut.
Wij kijken ernaar uit u te ontmoeten.
De dagen erna verlopen in een waas. Je slaapt slecht, maar je droomt niet meer van sneeuw. Je droomt helemaal niet. Je ligt wakker en staart naar het plafond en vraagt je af wat je in vredesnaam aan het doen bent. Je googelt Snøfallvik voor de twintigste keer, maar de resultaten zijn nog steeds dezelfde: niets. Geen reviews. Geen artikelen. Geen enkele vermelding behalve die ene mysterieuze website.
Donderdag komt sneller dan je had verwacht.
Het café is half leeg als je binnenkomt. Een paar studenten zitten over hun laptops gebogen. Een oude man leest de krant. De geur van verse koffie hangt in de lucht, vermengd met iets dat lijkt op kaneel.
Je bestelt een koffie die je niet kunt betalen en gaat aan een tafeltje bij het raam zitten. Je kijkt naar buiten, naar de mensen die voorbijlopen, naar de wolken die zich samenpakken boven de daken. Je vraagt je af of mevrouw Lindqvist echt komt. Je vraagt je af hoe je haar zult herkennen.
Je hoeft niet lang te wachten.
Ze komt binnen om precies twee uur. Je weet meteen dat zij het is, ook al heb je geen idee hoe ze eruitziet. Er is iets aan haar – de manier waarop ze loopt, de manier waarop haar ogen de ruimte scannen – dat anders is. Alsof ze niet helemaal in deze wereld thuishoort.
Ze is ouder dan je had verwacht. Midden vijftig, misschien zestig. Haar haar is grijs, bijna wit, en valt in een strakke vlecht over haar schouder. Ze draagt een lange, donkere jas die eruitziet alsof hij decennia oud is maar nooit is gedragen. Haar ogen zijn lichtblauw, bijna doorzichtig, en als ze je aankijkt voelt het alsof ze dwars door je heen kan zien.
"Jij moet het zijn," zegt ze. Het is geen vraag. Haar stem is laag en rustig, met een accent dat je niet helemaal kunt plaatsen. Scandinavisch, ja, maar met iets eronder. Iets ouders.
Je knikt. Je stem lijkt ergens in je keel te zijn blijven steken.
Ze gaat tegenover je zitten. Ze bestelt niets. Ze kijkt je alleen maar aan met die lichtblauwe ogen, en je voelt je klein worden. Doorzichtig. Alsof al je geheimen op je voorhoofd staan geschreven.
"Vertel me waarom je naar Snøfallvik wilt komen."
De vraag overvalt je. Je had je voorbereid op vragen over je werkervaring. Je opleiding. Je verwachtingen. Niet dit.
"Ik..." Je stopt. Begint opnieuw. "Ik wil opnieuw beginnen."
"Dat zei je in je aanmelding. Maar waarom?" Ze leunt naar voren. "Wat is er gebeurd dat je alles wilt achterlaten?"
Je denkt aan je vader die vorig jaar is gestorven. Aan de relatie die daarna uit elkaar viel, langzaam eerst, toen steeds sneller, als een trein die van de rails af gaat. Aan de baan die je verloor toen het bedrijf failliet ging. Aan de vrienden die wegdreven, een voor een, tot je op een dag wakker werd en besefte dat er niemand meer was om te bellen.
"Alles," zeg je uiteindelijk. "Er is hier niets meer voor mij."
Ze knikt. Langzaam. Alsof dit precies het antwoord is dat ze verwachtte.
"Snøfallvik is geen gewone plek," zegt ze. Haar stem daalt tot bijna een fluistering. "We liggen ver van alles. Geen winkels. Geen cafés. Geen bioscoopen of restaurants. Alleen de zee en de bergen en de sneeuw."
"Dat klinkt perfect."
"De winters duren lang. Van oktober tot april is het grotendeels donker. Sommige mensen... die kunnen daar niet tegen. De duisternis doet iets met je. Het kruipt in je hoofd. Het laat dingen zien die er niet zijn. Het fluistert dingen die niet waar zijn."
Je voelt een rilling over je rug lopen. "Probeer je me bang te maken?"
"Ik probeer je eerlijk te zijn." Ze leunt achterover. "De meeste mensen die naar Snøfallvik komen, blijven. Niet omdat ze niet weg kunnen. Maar omdat ze niet weg willen. Het dorp... het groeit op je. Het wordt een deel van je."
"En de mensen die wel weggaan?"
Een stilte. Haar ogen verduisteren even, alsof er een wolk voor de zon schuift.
"Die zijn er niet."
Je weet niet wat je daarmee moet. Je weet niet of het een dreigement is, een waarschuwing, of gewoon een constatering. Maar iets in je – iets dieps en primitiefs, iets dat je niet kunt benoemen – zegt dat je moet blijven luisteren.
"Hoe komt het dat niemand van dit dorp heeft gehoord?" vraag je. "Ik heb gezocht. Er is niets te vinden."
"We houden niet van publiciteit. We zoeken mensen die passen. Mensen die kunnen leven met stilte. Die niet bang zijn voor wat de duisternis brengt." Ze glimlacht voor het eerst. Het is een klein glimlachje, bijna teder. "Jij bent zo iemand. Dat voel ik."
"Hoe weet je dat?"
"De brochure vond je, nietwaar? Je zocht hem niet. Hij vond jou."
Je denkt aan die dag in het antiquariaat. Hoe je naar binnen werd getrokken alsof er een onzichtbare hand in het spel was. Hoe de brochure precies daar lag, precies waar je hem kon vinden.
"Dat klinkt..."
"Bizar? Onmogelijk? Ja." Ze haalt haar schouders op. "Snøfallvik is bizar. Onmogelijk. Maar het is ook echt. En het wacht op je."
Ze schuift een envelop over de tafel. Je maakt hem open. Er zit een ticket in. Eén enkele reis. Van Amsterdam naar Oslo, dan verder naar Tromsø, en dan een busrit naar een bestemming die niet op de kaart staat.
"De reis is maandag," zegt ze. "Neem alleen mee wat je kunt dragen. Alles wat je nodig hebt, is er al."
Je staart naar het ticket. Maandag. Dat is over vier dagen. Vier dagen om afscheid te nemen van een leven dat al dood is.
"En als ik niet kom?"
Ze staat op. Trekt haar jas recht. Kijkt op je neer met die onpeilbare ogen.
"Dan vind je de brochure weer. Over een week. Over een maand. Over een jaar. Ze blijven komen tot je ja zegt." Ze loopt naar de deur, maar draait zich nog één keer om. "De vraag is niet óf je komt. De vraag is alleen wanneer."
En dan is ze weg.
Je blijft nog een uur zitten. Je koffie wordt koud. De studenten vertrekken. De oude man legt zijn krant neer en doet een dutje. De zon zakt achter de gebouwen.
Je denkt aan alles wat je moet regelen. Het huurcontract. Je spullen. De paar mensen die misschien zouden willen weten waar je naartoe gaat – als er zulke mensen zijn.
Je denkt aan sneeuw.
Je denkt aan het geluid van de zee.
Je denkt aan een dorp waar je nog nooit bent geweest, maar dat al voelt als thuiskomen.
Maandagochtend sta je op het station. Je rugzak weegt acht kilo. Je hebt je appartement leeg achtergelaten, de sleutels bij de huisbaas afgegeven, een e-mail gestuurd naar de twee mensen die je nog enigszins vrienden zou kunnen noemen. Niemand heeft geantwoord.
De trein naar Schiphol vertrekt over tien minuten.
De sneeuw begint te vallen – de eerste sneeuw van het seizoen, ongewoon vroeg voor november. De vlokken dwarrelen zachtjes neer op het perron, op je schouders, op de rails die je naar het noorden zullen brengen.
Je haalt diep adem.
En je stapt in.
De vlucht naar Oslo duurt twee uur. Je zit aan het raam en kijkt naar de wolken die onder je voorbijtrekken. Ergens boven Denemarken wordt het landschap witter. Eerst alleen de toppen van de bergen. Dan de dalen. Dan alles.
In Oslo moet je overstappen. Je hebt drie uur, en je brengt ze door met rondlopen door de luchthaven, koffie drinkend die naar niets smaakt, starend naar de vertrekborden die plaatsnamen tonen die je niet kent. Tromsø. Bergen. Hammerfest. Plaatsen uit sprookjes. Plaatsen uit nachtmerries.
De vlucht naar Tromsø vertrekt om vijf uur 's middags. Buiten is het al donker – het donker van het noorden, dat eerder komt en langer blijft dan je gewend bent. Je kijkt uit het raampje en ziet alleen zwart. Geen lichten. Geen steden. Alleen de onmetelijke leegte van een land dat grotendeels onbewoond is.
Als je landt in Tromsø, is het alsof je op een andere planeet stapt. De kou slaat je in het gezicht als een vuist. Minus vijftien graden, zegt een bord in de aankomsthal. Minus vijftien, en het is pas november.
Er staat een bus te wachten. Een oude bus, wit en grijs, met kleine ijspegels die van de bumper hangen. Op de zijkant, in vervaagde letters: Snøfallvik Velkomst.
Er is geen chauffeur te zien.
Je stapt in.
De bus is leeg. De stoelen zijn versleten maar schoon. Er hangt een geur van dennennaalden en iets wat je niet kunt plaatsen – iets zoets, bijna misselijkmakend. Je gaat op een stoel in het midden zitten en wacht.
Na tien minuten start de motor. Je kijkt naar de chauffeursstoel. Die is nog steeds leeg.
De bus begint te rijden.
Je zou bang moeten zijn. Je zou moeten schreeuwen, moeten proberen te ontsnappen, moeten bellen naar... naar wie? Er is niemand meer om te bellen.
In plaats daarvan leun je achterover. Je kijkt naar het landschap dat voorbijtrekt – besneeuwde bergen, bevroren meren, bossen zo dicht dat ze het weinige licht dat er is absorberen. De bus rijdt over wegen die steeds smaller worden, steeds hobbbeliger, tot ze uiteindelijk helemaal verdwijnen in een zee van wit.
Je slaapt in. Je weet niet hoe lang.
Als je wakker wordt, staat de bus stil.
Je kijkt naar buiten. Door het beslagen raam zie je lichtjes. Kleine, flikkerende lichtjes in de verte. De contouren van huizen. De omtrek van een kerktoren tegen de donkere lucht.
Snøfallvik.
De deuren van de bus gaan open. De kou stroomt naar binnen, maar dit keer voelt het anders. Het voelt... verwelkomend. Zuiver. Alsof de kou je schoonwast van alles wat je was.
Je staat op. Je pakt je rugzak. Je loopt naar de deur.
En als je je voet op de besneeuwde grond zet, voel je iets wat je lang niet hebt gevoeld.
Je voelt dat je thuiskomt.