Snøfallvik
Hoofdstuk 3 – Aankomst in Snøfallvik
Het eerste wat je opvalt is de stilte.
Niet de stilte van een lege kamer of een verlaten straat. Dit is een andere stilte. Dikker. Zwaarder. Een stilte die in je oren drukt, die je borstkas vult, die je gedachten dempt tot een gemompel. Het is de stilte van een plek die nog nooit het geluid van verkeer heeft gehoord. Nooit het gezoem van elektriciteit. Nooit het constante achtergrondgeruis van de moderne wereld.
Je staat aan de rand van het dorp. De bus is verdwenen – je hebt hem niet horen wegrijden, hij is er gewoon niet meer, alsof hij nooit heeft bestaan. Voor je liggen de eerste huizen, kleine houten constructies met daken zo steil dat de sneeuw er nauwelijks op kan blijven liggen. De ramen gloeien warm oranje, en door sommige zie je schaduwen bewegen.
Er is iemand.
Ze komt uit het donker alsof ze er altijd al was. Een vrouw, oud maar krachtig, met een gezicht dat getekend is door weer en wind en iets anders dat je niet kunt benoemen. Ze draagt een dikke wollen sjaal om haar hoofd en een jas die eruitziet alsof hij van een beer is gemaakt.
"Je bent er," zegt ze. Geen begroeting. Geen vraag. Alleen een constatering.
"Ja." Je stem klinkt raar in de stilte. Te luid. Te aanwezig.
De vrouw knikt. "Ik ben Ingeborg. Ik breng je naar je huis."
Je huis. Alsof het altijd al van jou was. Alsof het op je wachtte.
Je volgt haar door de smalle straatjes van Snøfallvik. De huizen staan dicht op elkaar, maar niet op een verstikkende manier. Eerder als oude vrienden die bij elkaar leunen voor warmte. De sneeuw dempt je voetstappen. De wind is gaan liggen, en de enige beweging komt van de rookpluimen die uit de schoorstenen opstijgen en oplossen in de zwarte hemel.
Je passeert wat eruitziet als een kerk – klein, houten, met een spits die naar de sterren wijst. De deuren zijn dicht, maar er brandt licht achter de glas-in-loodramen. Je meent gezang te horen, maar als je je concentreert, is het geluid verdwenen.
"De kerk is morgenochtend open," zegt Ingeborg zonder om te kijken. "Als je wilt."
Je weet niet of je wilt. Je hebt al jaren niet gebeden.
Na de kerk komt de haven. De boten liggen stil in het water, dat zo donker is dat het bijna zwart lijkt. Sommige zijn groot, vissersschepen met hoge masten en opgerolde netten. Andere zijn klein, roeibootjes die tegen de kade wiegen. Op een van de grotere boten brandt licht in de kajuit. Een silhouet beweegt achter het glas.
"De vissers," zegt Ingeborg. "Ze gaan morgen uit. Als het weer het toelaat."
"Vangen ze veel?"
Een stilte. Dan: "Ze vangen genoeg."
Jullie lopen verder. Voorbij de haven, voorbij een rij identieke huisjes, voorbij een gebouw dat eruitziet als een opslagplaats maar waar geluiden uit komen die je niet kunt thuisbrengen. Gekraak. Gesis. Iets dat lijkt op gefluister.
Je huis staat aan het einde van een doodlopend straatje. Het is kleiner dan de andere, maar niet minder stevig. De houten wanden zijn donkerbruin, bijna zwart, en de deur is rood geschilderd – het enige felle kleur dat je tot nu toe hebt gezien.
"Dit is het," zegt Ingeborg. Ze geeft je een sleutel. Groot, oud, ijzer. Het voelt zwaar in je hand. "Alles wat je nodig hebt, is binnen. Er wordt morgen iemand gestuurd om je te leren hoe alles werkt."
"Dank je." Het klinkt ontoereikend. Alles wat je zou kunnen zeggen, klinkt ontoereikend.
Ingeborg knikt. Ze draait zich om om te vertrekken, maar stopt dan. Kijkt over haar schouder naar je, met ogen die donkerder lijken dan ze zouden moeten zijn.
"Eén ding." Haar stem is laag nu, bijna een fluistering. "Ga 's nachts niet naar buiten. Niet de eerste week. Niet tot je... gewend bent."
"Gewend waaraan?"
Maar ze geeft geen antwoord. Ze verdwijnt in het donker, en je blijft alleen achter met je sleutel en je rugzak en een gevoel dat je niet helemaal kunt plaatsen.
Het huis is warm. Warmer dan je zou verwachten, gezien het feit dat je niet weet wie het heeft verwarmd of wanneer. In de hoek staat een houtkachel die zachtjes knettert, met een stapel houtblokken ernaast. Er is een kleine keuken, een nog kleinere woonkamer, en een trap die naar boven leidt naar wat je aanneemt de slaapkamer is.
Op de keukentafel ligt een mand met brood, kaas, gedroogd vlees, en een fles met iets helderers dat geen water is. Er ligt een briefje naast.
Welkom thuis. Rust uit. Morgen begint je nieuwe leven.
Je eet. Het brood is vers, de kaas stevig en romig, het vlees zout en geurig. De vloeistof in de fles blijkt een soort aquavit te zijn, sterk en kruidig, die een warme gloed in je maag verspreidt.
Je verkent het huis. In de woonkamer staat een bank bedekt met een dikke wollen deken. Er zijn boekenplanken langs de muren, gevuld met boeken in talen die je niet spreekt – Noors, dat herken je, maar ook iets anders, iets ouders, met runen en symbolen die je niet kunt ontcijferen.
Boven is de slaapkamer. Eenvoudig maar schoon. Een groot bed, dik bedekt met dekens en kussens. Een klein raam dat uitkijkt op de zee. Als je naar buiten kijkt, zie je alleen duisternis – de duisternis van een nacht zonder straatverlichting, zonder lichtvervuiling, zonder enige herinnering aan de wereld die je hebt achtergelaten.
En dan zie je iets anders.
Lichten. In de verte, op het water. Geen lampen van boten – die zou je herkennen. Dit zijn andere lichten. Groener. Zwakker. Ze dansen over het oppervlak alsof ze een eigen wil hebben.
Je staart ernaar. Je zou weg moeten kijken, naar bed moeten gaan, je moeten voorbereiden op morgen. Maar je kunt je ogen niet losmaken van die lichten. Ze zijn... prachtig. Hypnotiserend. Ze roepen je.
Ga 's nachts niet naar buiten.
Ingeborg's woorden echoen in je hoofd. Je doet een stap bij het raam vandaan. Je ademt diep in. De lichten dansen door.
Je gaat naar bed.
De slaap komt snel, sneller dan je had verwacht na zo'n lange reis. Het bed is zacht en warm, de dekens ruiken naar dennennaalden en iets wat je niet kunt plaatsen maar dat je doet denken aan thuis – niet het huis dat je hebt achtergelaten, maar een ouder thuis, een dieper thuis, een thuis dat je je niet herinnert maar dat ergens in je botten zit.
Je droomt.
Je staat op een bevroren meer. Het ijs onder je voeten is doorzichtig, en daaronder zie je water – donker water, zwart water, water dat te diep is om te peilen. Er beweegt iets in dat water. Schaduwen die geen vorm hebben. Gedaanten die verschijnen en verdwijnen.
Je kijkt op. De hemel boven je brandt groen. Noorderlicht, besef je, maar intenser dan je ooit hebt gezien. Het licht pulseert, ademt, leeft. En als je lang genoeg kijkt, zie je dat het vormen aanneemt. Gezichten. Figuren. Handen die naar je reiken.
Welkom, fluisteren ze. Welkom thuis. Welkom voor altijd.
Je schrikt wakker.
Het is nog donker. Natuurlijk is het nog donker – het is hier altijd donker in deze tijd van het jaar. Je tast naar je telefoon om te kijken hoe laat het is, maar dan herinner je je dat je hem hebt achtergelaten. Geen signaal in Snøfallvik, had Astrid Lindqvist gezegd. Geen internet. Geen verbinding met de buitenwereld.
Je staat op. De vloer is koud onder je voeten. Je loopt naar het raam.
De lichten zijn er nog. Op het water, dansend, wenend. En nu je beter kijkt, zie je dat ze niet alleen zijn. Er zijn figuren op het strand. Schaduwen die bij het water staan, die naar de lichten staren. Een, twee, vijf, tien – je verliest de tel.
Een van de figuren draait zich om. Kijkt omhoog. Naar jou.
Je doet een stap achteruit. Je hart bonst. Het raam beslaat door je adem, en als je het schoonveegt, is de figuur verdwenen. Ze zijn allemaal verdwenen. Alleen de lichten dansen door, onverstoord, onverstoorbaar.
Je gaat niet meer slapen die nacht.
Je zit op de rand van je bed en kijkt naar het raam en wacht op de ochtend die niet komt. De uren kruipen voorbij. De duisternis blijft. Pas rond tien uur, als je al half gek wordt van de stilte en het wachten, begint er iets te veranderen. De hemel wordt niet lichter – dat zou te veel gevraagd zijn – maar hij wordt iets minder donker. Een diepe, paarse schemering die net genoeg is om je de weg naar buiten te wijzen.
Er wordt geklopt.
Je opent de deur. Er staat een jongeman op de stoep, misschien een jaar of vijfentwintig, met blond haar dat onder een wollen muts uit piept en ogen die dezelfde kleur blauw hebben als Astrid Lindqvist. Familie misschien. Of gewoon een eigenschap van dit dorp.
"Goedemorgen," zegt hij met een glimlach die echt lijkt. "Ik ben Erik. Ik laat je het dorp zien."
Erik is praatgraag, heel anders dan Ingeborg. Terwijl jullie door de straten lopen, vertelt hij over het dorp. Over de vijftig bewoners – "soms meer, soms minder, het hangt ervan af." Over de vissers die elke dag uitvaren als het weer het toelaat. Over de vrouwen die breien en koken en kinderen grootbrengen. Over de mannen die jagen en hout hakken en huizen repareren.
"En wat doe jij?" vraag je.
"Ik?" Hij grijnst. "Ik ben de gids. Ik help nieuwkomers. Ik leg uit hoe dingen werken."
"Komen er vaak nieuwkomers?"
Een korte stilte. Dan: "Soms. Als de tijd rijp is."
Hij laat je de kerk zien – binnen is het warm en ruikt het naar wierook en iets ouders, iets dat je niet kunt plaatsen. Hij laat je de winkel zien, een klein gebouwtje waar je basisbenodigdheden kunt krijgen in ruil voor werk of diensten. Hij laat je de haven zien, waar de vissers hun boten klaarmaken voor de dag.
En hij laat je het kerkhof zien.
Het ligt achter de kerk, een klein veldje omringd door een lage stenen muur. De graven zijn oud, de meeste zo verweerd dat de namen niet meer te lezen zijn. Maar sommige zijn nieuwer. Veel nieuwer.
"Wie liggen hier?" vraag je.
Erik haalt zijn schouders op. "Iedereen. Uiteindelijk."
"Dat is geen antwoord."
Hij kijkt je aan. Zijn glimlach is verdwenen. "Er zijn vragen die je beter niet kunt stellen. Niet hier. Niet in het begin." Hij begint terug te lopen naar het dorp. "Kom. Er is iemand die je wil ontmoeten."
De iemand blijkt een oude man te zijn die Olaf heet. Hij woont in een huis aan de rand van het dorp, groter dan de andere, met een veranda die uitkijkt over de zee. Hij zit in een schommelstoel als jullie aankomen, gewikkeld in dekens ondanks de kou.
"Dus jij bent de nieuwe," zegt hij. Zijn stem is raspend, alsof hij in geen jaren heeft gesproken.
"Ja."
Hij bestudeerde je met ogen die melkachtig zijn van ouderdom maar nog steeds scherp. "Je hebt de lichten gezien, vannacht."
Het is geen vraag. Je antwoordt toch. "Ja."
"En de figuren op het strand."
"Ja."
Hij knikt langzaam. "Goed. Dat is goed. Het betekent dat je kunt zien." Hij wenkt je dichterbij. "Luister goed, want ik zeg dit maar één keer. Snøfallvik is niet wat het lijkt. De brochure, de website, de beloftes – het is allemaal echt, maar het is ook allemaal een leugen. Dit dorp biedt je een nieuw leven, ja. Maar het vraagt er ook iets voor terug."
"Wat?"
Een lange stilte. De wind ruist om het huis. De zee slaat tegen de rotsen in de verte.
"Alles," zegt Olaf uiteindelijk. "Het vraagt uiteindelijk alles."
Je zou bang moeten zijn. Je zou weg moeten rennen, terug naar de bus die er niet meer is, terug naar het vliegveld dat honderden kilometers verderop ligt, terug naar de wereld die je hebt achtergelaten.
Maar terwijl je daar staat, in de ijskoude wind, met de woorden van een oude man in je oren, voel je alleen maar vrede.
Dit is waar je hoort te zijn.
Dit is waar je altijd had moeten zijn.
De sneeuw begint weer te vallen.