Snøfallvik

Hoofdstuk 4 – Het Vissersdorp

De eerste dagen verlopen in een waas van nieuwe gezichten en onbekende rituelen.

Erik komt elke ochtend langs om je te halen. Hij klopt precies om negen uur op je rode deur, altijd met dezelfde glimlach, altijd met dezelfde begroeting: "Klaar voor een nieuwe dag?" En elke dag neem je hem mee door het dorp, langs dezelfde huizen, dezelfde straten, dezelfde gezichten die je langzaam begint te herkennen.

Er is Margarethe, de vrouw van de bakker, die elke ochtend verse broden uit haar oven haalt en je er een geeft met een knikje dat geen woorden nodig heeft. Er is Harald, de oude visser die altijd op de kade zit, ook als de boten niet uitvaren, starend naar de horizon alsof hij iets verwacht dat nooit komt. Er is kleine Astrid, het meisje van een jaar of acht dat je volgt door de straten, altijd op afstand, altijd met die grote ogen die meer lijken te zien dan ze zouden moeten.

En er is de dominee.

Je ontmoet hem op de derde dag, als Erik je meeneemt naar de kerk voor wat hij "de kennismaking" noemt. De kerk is kleiner dan je had verwacht – een houten gebouwtje met een spits die naar de eeuwig donkere hemel wijst en ramen van gekleurd glas die verhalen vertellen die je niet kunt lezen. Binnen ruikt het naar wierook en oud hout en iets anders, iets wat je niet kunt plaatsen maar dat je doet denken aan bevroren aarde.

De dominee staat bij het altaar als jullie binnenkomen. Hij is jonger dan je had verwacht – begin veertig misschien, met donker haar dat al begint te grijzen bij de slapen en ogen die dezelfde kleur hebben als de fjord op een bewolkte dag. Hij draagt geen habijt, alleen een donkere trui en een broek die eruitziet alsof hij al tientallen winters heeft overleefd.

"Dus jij bent de nieuwe," zegt hij. Zijn stem galmt door de lege kerk, weerkaatst tegen de houten wanden. "Welkom in Snøfallvik."

"Dank u."

Hij loopt naar je toe, langzaam, met de bedachtzame passen van iemand die gewend is om te wachten. "Ik ben Peder. Peder Lindqvist."

Lindqvist. Dezelfde naam als Astrid, de vrouw die je in Nederland ontmoette. Je vraagt je af of ze familie zijn. Je vraagt je af of iedereen hier familie is.

"De kerk staat altijd open," zegt Peder. "Dag en nacht. Als je wilt praten, als je wilt bidden, als je gewoon wilt zitten – je bent welkom." Hij glimlacht, maar de glimlach bereikt zijn ogen niet helemaal. "Veel nieuwkomers hebben vragen. Over het dorp. Over wat hier gebeurt. Over wat ze 's nachts horen."

Je voelt een rilling over je rug lopen. "Wat horen ze 's nachts?"

Een lange stilte. Peder kijkt naar Erik, die zijn blik afwendt. Dan kijkt hij weer naar jou.

"Dat hangt ervan af," zegt hij uiteindelijk. "Sommigen horen niets. Anderen horen... meer." Hij legt een hand op je schouder. De aanraking is koud, kouder dan hij zou moeten zijn. "Geef het tijd. Snøfallvik onthult zichzelf langzaam. Probeer niet te hard te zoeken naar antwoorden. Ze komen vanzelf."

Je weet niet wat je daarmee moet. Je bedankt hem voor zijn tijd en volgt Erik naar buiten, de kou in, de duisternis in.

"Hij is een goede man," zegt Erik als jullie teruglopen naar het dorp. "Een beetje vreemd misschien. Maar goed."

"Is hij familie van Astrid Lindqvist? De vrouw die me rekruteerde?"

Erik stopt. Draait zich naar je om. Zijn glimlach is verdwenen.

"Astrid Lindqvist is al vijftig jaar dood."

De woorden hangen in de lucht tussen jullie, zwaar en onmogelijk. Je wilt protesteren, wilt zeggen dat je haar nog geen week geleden hebt gezien, dat ze tegenover je zat in een café, dat ze je een ticket gaf en je vertelde over dit dorp. Maar de blik in Eriks ogen zegt dat hij de waarheid spreekt – of in ieder geval de waarheid zoals hij die kent.

"Dat kan niet," zeg je uiteindelijk. "Ik heb haar ontmoet. In Nederland. Ze—"

"Ik weet het." Erik begint weer te lopen. "Dat zeggen ze allemaal."

Die avond zit je in je kleine woonkamer, met een kop thee die je niet drinkt en gedachten die je niet kunt ordenen. De houtkachel knettert zachtjes. De wind huilt om het huis. En ergens in de verte – zo ver dat je niet zeker weet of je het echt hoort of alleen maar inbeeldt – klinkt iets dat lijkt op gezang.

Je staat op. Je loopt naar het raam. Buiten is alles zwart – het zwart van een poolnacht, zo intens dat het bijna tastbaar is. De enige lichtjes komen van de andere huizen, kleine oranje vonkjes in een zee van duisternis.

En dan zie je ze weer.

De lichten op het water. Groen en dansend, zoals die eerste nacht. Maar dit keer zijn ze dichterbij. Veel dichterbij. Je kunt nu zien dat het geen lampen zijn, geen vuur, geen reflectie van de maan. Het zijn... iets anders. Iets dat beweegt met een eigen wil. Iets dat lijkt te weten dat je kijkt.

Een van de lichten stopt. Draait. Beweegt naar de kust.

Naar jou.

Je doet een stap achteruit. Je hart bonst in je keel. Het licht komt dichterbij, steeds dichterbij, tot het bijna bij de haven is. En dan – dan zie je wat het is.

Het is geen licht.

Het is een figuur. Een vrouw, of wat ooit een vrouw was, met huid zo bleek dat ze bijna doorschijnend is en ogen die gloeien met datzelfde groene licht. Ze drijft boven het water, haar voeten raken het oppervlak niet, haar jurk – een oude jurk, het soort dat vrouwen honderd jaar geleden droegen – wappert in een wind die er niet is.

Ze kijkt naar je huis.

Ze glimlacht.

Je trekt de gordijnen dicht. Je gaat niet meer naar het raam die nacht. Je kruipt in bed en trekt de dekens over je hoofd en probeert niet te denken aan wat je hebt gezien. Maar zelfs door de dekens heen, zelfs door de muren en de wind en de afstand, voel je haar blik. Wachtend. Geduldig. Alsof ze alle tijd van de wereld heeft.

De volgende ochtend – als je het ochtend kunt noemen, die paar uur van paarse schemering die voor daglicht moet doorgaan – klopt Erik weer op je deur.

"Vandaag laat ik je de haven zien," zegt hij. "Echt zien, bedoel ik. Niet alleen langs lopen."

De haven van Snøfallvik is groter dan je had verwacht. Er liggen twaalf boten aangemeerd, variërend van kleine roeibootjes tot grotere vissersschepen met hoge masten en versleten zeilen. De kade is gemaakt van verweerde houten planken die kraken onder je voeten, en overal ruikt het naar zout en vis en iets wat je niet kunt thuisbrengen – iets zoets, bijna rottends.

"De visserij is het hart van het dorp," zegt Erik terwijl jullie langs de boten lopen. "Altijd geweest. De zee geeft ons voedsel. De zee geeft ons leven." Hij stopt bij een van de grotere boten. "En soms neemt de zee."

"Neemt?"

Hij kijkt je aan. "Niet iedereen die uitvaart, komt terug. Dat is overal zo, op zee. Maar hier..." Hij haalt zijn schouders op. "Hier is het anders."

"Anders hoe?"

"Ze verdwijnen niet echt. Ze worden niet gevonden, kilometers verderop, aangespoeld op een strand. Ze verdwijnen gewoon. Het ene moment zijn ze er, het volgende niet. En soms—" Hij stopt. Schudt zijn hoofd. "Laat maar."

"Soms wat?"

Een lange stilte. Erik staart naar het water, naar de plek waar je gisteravond de figuur hebt gezien. "Soms komen ze terug. Maar niet helemaal."

Je denkt aan Astrid Lindqvist. Aan de vrouw die al vijftig jaar dood is maar die toch tegenover je zat in een café. Je denkt aan de figuren die je 's nachts ziet, de lichten op het water, het gezang dat je hoort als de wind precies goed staat.

"Wat bedoel je met 'niet helemaal'?"

Erik begint weer te lopen. "Kom. Ik laat je de vissers zien."

De vissers zijn aan het werk op de kade, bezig met netten herstellen en boten gereedmaken voor de volgende vaart. Het zijn mannen van alle leeftijden – jongens van amper zestien tot oude mannen wier gezichten zo gerimpeld zijn dat ze eruitzien als landkaarten van een onbekend land. Ze knikken naar je als je langsloopt, maar niemand zegt iets. Niemand stelt vragen.

Behalve één.

Hij is ouder dan de anderen, maar niet zo oud als de oudsten. Ergens tussen vijftig en zeventig, met een verweerd gezicht en ogen die dezelfde kleur grijs hebben als de zee in de winter. Hij staat bij een van de kleinere boten, bezig met het controleren van een roeiriem, maar als jullie langslopen stopt hij.

"Jij bent nieuw." Het is geen vraag.

"Ja."

Hij bestudeert je met die grijze ogen, lang en indringend, alsof hij iets zoekt wat diep in je verborgen zit. "Ik ben Gunnar. Ik vis al veertig jaar op deze wateren."

"Aangenaam."

"Je hebt ze gezien." Weer geen vraag. "De lichten. Op het water."

Je aarzelt. Je kijkt naar Erik, maar die heeft zich afgewend, doet alsof hij iets interessants ziet aan een van de andere boten. "Ja," zeg je uiteindelijk. "Ik heb ze gezien."

Gunnar knikt langzaam. "Goed. Dat is goed. Het betekent dat je ogen open zijn." Hij buigt zich naar je toe, dichterbij dan comfortabel is. Zijn adem ruikt naar vis en tabak en iets ouders, iets dat je doet denken aan aarde na de regen. "Maar pas op wat je ziet. Niet alles wat gloeit in de nacht is een licht. Sommige dingen willen gezien worden. Willen dat je kijkt. Willen dat je komt."

"Wat zijn het?"

Een lange stilte. Gunnar recht zijn rug. "Dat weet niemand zeker. De dominee noemt ze zondaren, zielen die geen rust kunnen vinden. De oude vrouwen noemen ze de verloren kinderen van de zee. En sommigen—" hij kijkt om zich heen, alsof hij wil controleren of niemand meeluistert "—sommigen zeggen dat ze de eersten zijn. De oorspronkelijke bewoners. Degenen die hier waren voordat de eerste vissers kwamen, voordat de eerste huizen werden gebouwd. Degenen die nooit echt zijn weggegaan."

"En wat denk jij?"

Gunnar glimlacht. Het is een droevige glimlach, de glimlach van iemand die te veel heeft gezien. "Ik denk dat het niet uitmaakt wat ze zijn. Wat uitmaakt is wat ze willen." Hij draait zich om, terug naar zijn boot. "En wat ze willen is altijd hetzelfde. Gezelschap."

Erik raakt je elleboog aan. "Kom. We moeten verder."

De rest van de dag breng je door met leren. Erik laat je zien hoe de waterpomp werkt, hoe je hout moet hakken, hoe je de kachel moet onderhouden zodat hij de hele nacht blijft branden. Hij laat je zien waar je voorraden kunt halen – de kleine winkel achter de kerk, waar een zwijgzame vrouw met wit haar je geeft wat je nodig hebt in ruil voor punten die je verdient met werk. Hij laat je zien waar je niet moet komen – het bos achter het dorp, de berg die opdoemt in de verte, het oude gebouw aan het einde van de kade dat eruitziet alsof het elk moment kan instorten.

"Waarom niet?" vraag je als jullie langs dat laatste gebouw lopen. Het is groot, groter dan de andere gebouwen, met ramen die dichtgetimmerd zijn en een deur die verzegeld lijkt met iets dat eruitziet als oude, verdroogde zeewier.

"Dat was de conservenfabriek," zegt Erik. "Lang geleden. Voordat..." Hij stopt. "Het is niet veilig. De vloeren zijn verrot. De muren kunnen elk moment instorten."

Je kijkt naar het gebouw. De ramen zijn niet alleen dichtgetimmerd – er zit iets achter het hout, iets dat beweegt als je lang genoeg kijkt. Een schaduw die geen schaduw zou moeten zijn.

"Is dat de enige reden?"

Erik kijkt je aan. Zijn glimlach is verdwenen. "Ja," zegt hij. "Dat is de enige reden."

Je gelooft hem niet. Maar je vraagt niet verder.

Die avond eet je voor het eerst met de andere dorpelingen. Het gebeurt in het enige gebouw dat groot genoeg is voor iedereen – een houten hal naast de kerk die dienst doet als gemeenschapsruimte, als feestzaal, als alles wat het dorp nodig heeft. De tafels zijn lang en smal, gedekt met wit linnen dat al jaren niet meer wit is, en het eten komt uit een keuken achter een gordijn waar je de vrouwen hoort praten in een taal die je niet verstaat.

Je zit naast Erik en tegenover een vrouw die Maren heet. Ze is jonger dan de meeste dorpelingen – ergens in de dertig, met donker haar dat in een vlecht over haar schouder valt en ogen die te fel zijn voor dit donkere land. Ze glimlacht naar je als je gaat zitten.

"De nieuwe," zegt ze. "Eindelijk iemand om mee te praten die niet al zeventig is."

"Ben jij ook nieuw?"

"Acht jaar geleden. Voelt soms nog als gisteren." Ze schept eten op haar bord – een stoofpot van iets wat je niet herkent, met aardappelen en groenten die te vers lijken voor de winter. "Je went eraan. Aan de duisternis. Aan de kou. Aan de... vreemdheid."

"De vreemdheid?"

Ze kijkt je aan over haar bord. "Je hebt ze gezien. De lichten. Ik kan het aan je ogen zien." Ze neemt een hap, kauwt, slikt. "Iedereen ziet ze uiteindelijk. Sommigen eerder dan anderen. Sommigen nooit. Maar de meesten..." Ze haalt haar schouders op. "De meesten zien meer dan ze willen."

"Wat zijn het?"

"Dat weet niemand. Geesten, zegt de dominee. De zee, zeggen de vissers. Ik?" Ze glimlacht, maar er zit iets droevigs in die glimlach. "Ik denk dat het herinneringen zijn. Dit dorp heeft een lang verleden. Niet alles daarvan is verdwenen."

Je wilt meer vragen, maar dan begint iemand te spreken. Het is de dominee, Peder, die aan het hoofd van de tafel staat met een glas in zijn hand. Hij spreekt in het Noors – of iets wat daarop lijkt, iets ouders misschien, met klanken die je niet herkent – en de dorpelingen luisteren in stilte. Als hij klaar is, heffen ze hun glazen en drinken.

"Wat zei hij?" fluister je naar Erik.

"Het gebed," fluistert Erik terug. "Hij dankt de zee voor haar gaven. Hij vraagt om bescherming voor de nacht die komt."

"Bescherming waartegen?"

Erik geeft geen antwoord. Hij drinkt zijn glas leeg en begint te eten.

Na het eten lopen de dorpelingen naar huis, in groepjes van twee of drie, met lantaarns die flauw schijnen in de duisternis. Erik biedt aan om je te begeleiden, maar je zegt dat het niet nodig is. Je huis is niet ver. Je kent de weg inmiddels.

Je hebt spijt van die beslissing voordat je halverwege bent.

De duisternis is anders dan je je herinnert. Dikker. Zwaarder. Alsof hij tastbaar is, alsof je er doorheen moet waden in plaats van lopen. De sneeuw onder je voeten maakt geen geluid. De wind is gaan liggen. Alles is stil – zo stil dat je je eigen hartslag kunt horen, je eigen ademhaling, het ruisen van het bloed door je aderen.

En dan hoor je het.

Gezang. Zacht eerst, zo zacht dat je denkt dat je het je inbeeldt. Maar het wordt luider. Komt dichterbij. Een melodie die geen melodie is, een harmonie die tegen alles indruist wat je weet over muziek. Het komt van overal en nergens tegelijk, uit de huizen en de sneeuw en de lucht zelf.

Je versnelt je pas. Je huis is niet ver meer – je kunt de rode deur al zien, een donkere vlek in de duisternis. Maar het gezang wordt luider. En nu meen je iets te zien, aan de rand van je blikveld. Beweging. Schaduwen die geen schaduwen zouden moeten zijn.

Je begint te rennen.

De sneeuw remt je af. Je voeten zakken weg, dieper dan ze zouden moeten, alsof iets je probeert tegen te houden. Het gezang is nu oorverdovend, een kakofonie van stemmen die woorden zingen die je niet verstaat. En de schaduwen – de schaduwen zijn overal nu, om je heen, boven je, onder je.

Je bereikt je deur. Je grijpt de klink. Je rukt hem open en stort naar binnen.

Stilte.

Absolute, volledige stilte.

Je staat in je woonkamer, hijgend, met je rug tegen de dichte deur. De kachel brandt nog steeds. De lamp op de tafel werpt een warme gloed over de kamer. Alles is precies zoals je het hebt achtergelaten.

Maar als je naar het raam kijkt, zie je ze.

Tientallen figuren, staand in de sneeuw buiten je huis. Ze bewegen niet. Ze maken geen geluid. Ze staan daar alleen maar, met hun gezichten naar je raam gericht, met hun ogen die gloeien in het donker.

En ze glimlachen allemaal.

Je doet de gordijnen dicht. Je gaat naar bed. Je slaapt niet.

Niemand klopt die nacht op je deur. Niemand roept je naam. Maar als de ochtend eindelijk komt – die vage, paarse schemering die voor daglicht doorgaat – en je naar buiten kijkt, zie je voetstappen in de sneeuw.

Honderden voetstappen.

Allemaal leidend naar je huis.

Allemaal stoppend bij je deur.

Je vraagt Erik er niet naar als hij die ochtend komt. Je vraagt niemand ernaar. Je weet inmiddels dat sommige vragen beter niet gesteld kunnen worden.

Je weet inmiddels dat Snøfallvik zijn geheimen heeft.

En dat die geheimen langzaam, heel langzaam, de jouwe worden.