Snøfallvik

Hoofdstuk 6 – Verdwijning

Het dorp komt bijeen in de grote hal.

Ze zitten in stilte op de lange banken, vijftig gezichten verlicht door flikkerend kaarslicht. Niemand praat. Niemand beweegt. Ze zitten alleen maar en wachten, met ogen die te veel hebben gezien om nog verbaasd te zijn.

Je zit naast Erik, die sinds hij je kwam halen geen woord meer heeft gezegd. Zijn handen trillen. Zijn kaken zijn op elkaar geklemd. Hij staart naar de vloer alsof de antwoorden daar verborgen liggen.

De dominee staat op. Peder Lindqvist, met zijn grijze haren en zijn ondoorgrondelijke ogen, loopt naar het midden van de hal. Hij vouwt zijn handen voor zijn borst.

"Broeders en zusters." Zijn stem is zacht, maar hij draagt door de hele ruimte. "Vannacht heeft de storm een van ons genomen. Maren Solvberg is niet in haar huis aangetroffen. Haar bed was niet beslapen. Er waren geen tekenen van..." Hij stopt. Slikt. "Er waren geen tekenen."

Een gemompel gaat door de menigte. Je vangt flarden op – "het was te verwachten", "de storm", "net als de anderen". Je begrijpt niet wat ze bedoelen, maar je voelt de zwaarte van hun woorden, het gewicht van een geschiedenis die je niet kent.

"We zullen zoeken," gaat Peder verder. "Zodra het licht het toelaat. Maar—" hij heft zijn hand om het gemompel te stoppen "—we weten allemaal wat dit betekent. We weten allemaal wat er gebeurt met degenen die de storm neemt."

"Wat gebeurt er?" De woorden zijn eruit voordat je kunt stoppen. Vijftig paar ogen draaien zich naar je toe. Vijftig gezichten, allemaal met dezelfde uitdrukking – medelijden, vermengd met iets anders. Iets dat lijkt op schaamte.

Peder kijkt je aan. "Je bent nieuw hier. Je weet nog niet hoe het werkt."

"Vertel het me dan."

Een lange stilte. De kaarsvlammen flikkeren. Ergens buiten huilt de wind, de laatste echo van de storm die nu wegtrekt naar het oosten.

"De storm neemt," zegt Peder uiteindelijk. "Zo is het altijd geweest. Sinds het begin." Hij loopt langzaam door het gangpad, zijn voeten geluidloos op de houten vloer. "Soms jaren niets. Soms meerdere in één winter. Maar uiteindelijk neemt de storm altijd."

"Neemt waarheen?"

Peder stopt bij je bank. Hij kijkt op je neer met die ogen die te veel weten. "Dat is de vraag, nietwaar? Waar gaan ze heen? Waar verdwijnen ze?" Hij glimlacht, maar er zit geen vreugde in die glimlach. "Sommigen zeggen de zee. Anderen zeggen de berg. En weer anderen—" hij buigt zich voorover, dichterbij dan comfortabel is "—anderen zeggen dat ze nergens heen gaan. Dat ze hier blijven. Alleen niet zoals ze waren."

Je denkt aan de figuren in de nacht. Aan de processie in de storm. Aan de vrouw met de witte jurk die jouw naam kende.

"De lichten," zeg je zachtjes. "Op het water. Dat zijn zij, nietwaar? De verdwenen mensen?"

Peder recht zijn rug. Hij kijkt niet langer naar jou, maar naar iets achter je, iets dat er niet is. "We spreken niet over de lichten."

"Maar—"

"We spreken niet over de lichten." Zijn stem is hard nu, harder dan je hem ooit hebt gehoord. "Niet hier. Niet nu. Dit is een bijeenkomst voor Maren, niet voor oude geruchten en bijgeloof." Hij draait zich om en loopt terug naar de voorkant van de hal. "We zoeken bij zonsopgang. Tot die tijd bidden we."

De bijeenkomst lost op in gemompelde gebeden en gedempte gesprekken. Je probeert Erik te spreken, maar hij is al weg, verdwenen in de menigte voordat je hem kon bereiken. Je probeert Gunnar te vinden, de oude visser die je eerder vertelde over de lichten, maar hij is nergens te zien.

Uiteindelijk sta je alleen in de lege hal, met alleen de uitgediende kaarsen en de echo's van woorden die niet gesproken zijn.

De zoektocht begint om acht uur, als de schemering net genoeg licht geeft om te zien waar je loopt. Je sluit je aan bij een groep van zes – Erik, twee vissers die je niet kent, een oudere vrouw genaamd Helga, en Peder zelf. Jullie worden toegewezen aan het gebied ten noorden van het dorp, waar de huizen overgaan in bos en het bos overgaat in de berg.

De sneeuw ligt hoog. Elke stap kost moeite. Je zinkt tot je knieën in het witte tapijt, soms tot je dijen, en je spieren beginnen al te protesteren voordat jullie het eerste huis voorbij zijn.

"Maren!" roept een van de vissers. Zijn stem echoot tegen de bergen en keert leeg terug. "Maren Solvberg!"

Niemand antwoordt. Alleen de wind, die weer begint aan te wakkeren, en het gekrijs van een vogel ergens in de verte.

Jullie zoeken uren. Door het bos, langs de oever van een bevroren beek, tot aan de voet van de berg die boven alles uittornt. Je vindt niets. Geen voetstappen – de storm heeft alles uitgewist. Geen kledingstukken, geen tekenen van worsteling, geen enkel bewijs dat Maren ooit heeft bestaan.

Tegen het einde van de middag – als de schemering al begint te vervagen naar de volgende nacht – geeft Peder het sein om terug te keren. De groep is uitgeput. Helga kan nauwelijks nog lopen. Zelfs de vissers, geharde mannen die gewend zijn aan ontbering, bewegen traag en stil.

Je loopt naast Erik. Hij heeft de hele dag niets gezegd, alleen gezocht met een verbeten energie die nu eindelijk lijkt op te raken.

"Je kende haar goed," zeg je zachtjes.

Hij knikt. Zijn kaken verstrakken.

"Hoe goed?"

Een lange stilte. Jullie voeten kraken door de sneeuw. De wind fluistert door de bomen.

"Goed genoeg," zegt hij uiteindelijk. "Ze was—" Hij stopt. Haalt diep adem. "Ze was de enige hier die het begreep. Hoe het is om nieuw te zijn. Om niet te weten wat er gebeurt. Om elke nacht bang te zijn voor wat je misschien ziet."

"Ze zei dat ze acht jaar geleden was gekomen."

"Ja. Net als ik. We kwamen in dezelfde winter." Hij kijkt je aan met ogen die rood zijn van uitputting en iets anders. "We waren niet alleen. Er waren zes anderen. Allemaal nieuwkomers, allemaal geronseld met dezelfde brochures, dezelfde beloftes." Hij wendt zijn blik af. "Maren en ik zijn de enigen die over zijn."

Je hart slaat over. "Wat is er met de anderen gebeurd?"

"Wat denk je?"

De vraag hangt in de lucht tussen jullie, zwaar en onbeantwoord. Je denkt aan de lichten op het water. Aan de figuren in de nacht. Aan de processie in de storm.

"De storm," zeg je.

Erik knikt. "De storm. Eén voor één, in de loop van de jaren. Sommigen in de eerste winter. Anderen later, veel later, als ze dachten dat ze veilig waren." Hij schopt tegen een brok ijs. "Niemand is veilig. Niet echt. Niet hier."

"Waarom blijf je dan?"

Hij kijkt je aan met een blik die je niet kunt lezen. "Omdat vertrekken erger is."

Voordat je kunt vragen wat hij daarmee bedoelt, roept een van de vissers iets. Jullie versnellen je pas, zo snel als de sneeuw het toelaat, tot je bij de man komt die aan de rand van het bos staat.

Hij wijst naar de grond.

Er zijn voetstappen. Vers, diep in de sneeuw, te recent om door de storm te zijn uitgewist. Ze leiden van het dorp naar het bos, een rechte lijn alsof degene die ze maakte precies wist waar ze heen ging.

Ze zijn blootsvoets.

"Maren had laarzen aan," zegt Helga zachtjes. "Toen ik haar gisteravond zag. Stevige laarzen, gevoerd met bont."

Niemand zegt iets. Niemand hoeft iets te zeggen. De implicatie hangt in de lucht, zo duidelijk als de ijzige adem die uit jullie monden kringelt.

Wie loopt er blootsvoets door de sneeuw in het midden van de nacht? Wie overleeft dat lang genoeg om een spoor achter te laten?

Peder knielt bij de voetstappen. Hij bestudeert ze met de aandacht van iemand die dit eerder heeft gezien. "Ze gaan naar de Slagtertind."

"De Slachtberg?" Je herinnert je de naam van de proloog, van de verhalen die je hebt gehoord. "Wat is daar?"

"Niets." Peder staat op. Veegt de sneeuw van zijn knieën. "Niets dat de levenden ooit hebben gezien."

"We moeten volgen." Eriks stem is hard, dringend. "We moeten—"

"Nee." Peder legt een hand op zijn schouder. "Het is bijna donker. We gaan niet de berg op in het donker. Dat weet je."

"Maar Maren—"

"Als Maren daar is, dan is het al te laat." Peders stem is zacht nu, bijna teder. "Als ze daar niet is, dan verspillen we tijd en levens. Dit is niet de eerste keer, Erik. Je weet hoe het gaat."

Erik wil protesteren. Je kunt het zien aan de spanning in zijn schouders, de trilling in zijn vuisten. Maar uiteindelijk zakt hij in elkaar. De energie die hem de hele dag overeind hield, verdwijnt in één lange uitademing.

"Morgen," zegt hij. "Bij het eerste licht."

"Morgen," beaamt Peder. "Maar alleen met vrijwilligers. Alleen met mensen die weten waar ze aan beginnen."

Jullie keren terug naar het dorp in stilte. De nacht valt snel, sneller dan je gewend bent, en tegen de tijd dat jullie de eerste huizen bereiken is de wereld weer zwart. De lantaarns van het dorp zijn kleine sterren in een oceaan van duisternis.

Erik gaat naar zijn eigen huis zonder gedag te zeggen. Peder verdwijnt in de kerk. De vissers en Helga lossen op in de schaduwen van hun straten, hun leven, hun zorgen.

Jij staat alleen op het dorpsplein.

De wind is gaan liggen. De lucht is helder, voor het eerst sinds je hier bent – je kunt sterren zien, meer sterren dan je ooit hebt gezien, een tapijt van licht dat van horizon tot horizon strekt. Het noorderlicht danst in de verte, groene en paarse sluiers die over de hemel bewegen.

Het is prachtig. Het is angstaanjagend. Het is beide tegelijk.

"Mooi, nietwaar?"

Je draait je om. Een jonge man staat achter je – begin twintig, schat je, met brede schouders en een open gezicht. Hij draagt visserskleding en ruikt naar zout en zee.

"Lars," zegt hij, en steekt zijn hand uit. "Lars Bergström. We hebben elkaar nog niet echt ontmoet, maar ik zag je bij de zoektocht."

Je schudt zijn hand. Die is warm, verrassend warm voor deze kou. "Je was in de groep van Erik."

"Ja. Ik ga altijd mee. Sinds mijn zus..." Hij stopt. Zijn kaak verstrakt. "Sinds mijn zus verdween."

"Het spijt me."

"Drie jaar geleden. De eerste die ik kende. Maar niet de eerste, begrijp je?" Hij kijkt omhoog naar het noorderlicht, en het groene schijnsel tekent schaduwen op zijn gezicht. "Er waren er al zoveel voor haar. Ze zeggen dat je eraan went. Dat je leert leven met het verlies. Maar dat is gelul. Je leert alleen om het te verbergen."

Jullie staan daar in stilte, kijkend naar de dansende lichten. Een vreemd moment van rust in een dorp dat geen rust kent.

"Waarom blijf je?" vraag je uiteindelijk. "Als het zo gevaarlijk is?"

Lars glimlacht. Het is een trieste glimlach, maar een echte – niet de lege glimlach van de figuren in de storm. "Waar zou ik heen moeten? Dit is mijn thuis. Dit is alles wat ik ken." Hij haalt een verkreukelde foto uit zijn borstzak. Een meisje, tiener, met hetzelfde brede gezicht als Lars. "Als ik wegga, wie herinnert zich dan Kristina? Wie zoekt er nog naar haar?"

Hij stopt de foto terug. Legt een hand op je schouder.

"Morgen. De berg." Zijn greep wordt steviger. "Je gaat toch mee?"

Je knikt.

"Pas dan op. Het is... het is niet zoals andere plekken. Je zult dingen zien. Dingen horen. En wat er ook gebeurt—" zijn ogen zoeken de jouwe "—kijk niet om. Wat je ook hoort, wie je ook roept. Loop gewoon door."

"Spreek je uit ervaring?"

"Uit de verhalen van mensen die terugkwamen." Een korte stilte. "Er zijn er niet veel."

Hij laat je schouder los. Knikt een klein afscheid. En dan loopt hij weg in de richting van de haven, zijn silhouet oplossend in de duisternis.

Je kijkt hem na. Je denkt aan Kristina, aan de foto, aan de drie jaar die Lars heeft doorgebracht in dit dorp zonder zijn zus.

Je begint naar huis te lopen. Je rode deur is niet ver – vijf minuten, misschien minder als je snel loopt. Je bent bijna veilig. Je bent bijna—

"Wacht."

De stem komt van achter je. Je draait je om.

Gunnar staat in de schaduw van een huis, nauwelijks zichtbaar in het donker. Alleen zijn ogen glinsteren in het sterrenlicht.

"Je gaat morgen mee," zegt hij. "Naar de berg."

Het is geen vraag. Je knikt toch.

"Dan moet je iets weten." Hij komt dichterbij, langzaam, alsof elke stap hem moeite kost. "De berg laat niet iedereen toe. Sommigen komen terug. Anderen—" Hij stopt vlak voor je. Je kunt zijn adem ruiken, vis en tabak en iets ouders. "Anderen blijven."

"Wat is daar? Op de berg?"

"Dat weet niemand. Niet echt." Hij kijkt omhoog, naar de berg die een zwarte vlek is tegen de sterrenhemel. "Ik ben er één keer geweest. Lang geleden, toen ik jong en dom was. Ik ben niet ver gekomen. Maar wat ik zag..." Hij sluit zijn ogen. "Wat ik zag vergeet ik nooit."

"Wat was het?"

Een lange stilte. De wind ruist zachtjes door de straat. Ergens blaft een hond, kort en angstig.

"De waarheid," zegt Gunnar uiteindelijk. "Over dit dorp. Over ons allemaal. Over waarom we hier zijn en waarom we niet weg kunnen." Hij opent zijn ogen. Ze glinsterend niet meer. Ze zijn dof nu, dof en oud en oneinding vermoeid. "Als je naar de berg gaat, zul je het ook zien. En dan—" hij legt een hand op je schouder, zwaar en koud "—dan kun je nooit meer terug naar wie je was."

Hij draait zich om en verdwijnt in het donker, zo snel en stil dat je je even afvraagt of hij er ooit echt was.

Je staat alleen in de straat. De sterren kijken op je neer. De berg wacht in de verte.

Die nacht droom je van Maren.

Ze staat in de sneeuw, blootsvoets, gekleed in een witte jurk die niet de hare is. Haar gezicht is kalm. Haar ogen zijn leeg. Ze kijkt naar je met een blik die geen herkenning bevat, geen warmte, geen emotie.

"Je komt," zegt ze. Haar lippen bewegen, maar het geluid lijkt van overal te komen, uit de grond en de lucht en de sneeuw zelf. "Morgen. Je komt naar ons."

"Ben je daar? Op de berg?"

"We zijn overal." Ze glimlacht. Die glimlach die je inmiddels herkent, die glimlach die niet vriendelijk is en niet dreigend. "We zijn in de sneeuw. We zijn in de zee. We zijn in jou."

Ze loopt naar je toe. Elke stap laat geen afdruk achter. De sneeuw blijft ongerept onder haar voeten.

"Je bent al een van ons," fluistert ze. "Je bent het altijd geweest. Je hebt het alleen nog niet geaccepteerd."

Ze reikt naar je gezicht. Haar vingers zijn ijskoud als ze je wang raken.

Je schrikt wakker.

Het is ochtend. De schemering valt door het raam. Je hart bonst. Je wang is koud, zo koud dat het bijna pijnlijk is, alsof iemand er net nog ijs tegenaan heeft gehouden.

Je staat op. Je trekt je warmste kleren aan. Je eet niet – je maag draait bij de gedachte aan eten.

Vandaag ga je naar de berg.

Vandaag vind je de waarheid.

Of de waarheid vindt jou.