Snøfallvik
Hoofdstuk 8 – De Kou
Een week na de berg klopt Erik op je deur.
Je hebt hem nauwelijks gezien sinds die dag. Sinds Maren. Sinds Lars. Hij heeft zich opgesloten in zijn huis, een schim achter donkere ramen. Maar nu staat hij voor je, mager en bleek, met ogen die te veel hebben gezien.
"We moeten praten," zegt hij.
Je laat hem binnen. Je maakt thee die geen van beiden drinkt. Jullie zitten tegenover elkaar bij de kachel, en voor het eerst sinds de berg ziet Erik er uit als de persoon die je leerde kennen – de gids, de vriend, de enige die de waarheid leek te willen vertellen.
De kou is erger geworden. Niet alleen de kou van buiten, maar een andere kou – in je botten, in je gedachten. Gunnar is veranderd. Peder gelooft zijn eigen gebeden niet meer. En vanavond waren er nog maar twaalf mensen bij de dienst. Twaalf van de vijftig.
Het dorp sterft. Je voelt het elke dag.
"Ik moet hier weg," zegt Erik. Zijn stem is vlak. "Voordat het te laat is."
"Je zei dat vertrekken niet kon."
"Dat was voordat Maren—" Hij stopt. Staat op. Loopt naar het raam. "Er zijn dingen die ik je niet heb verteld."
Je wacht. De kachel knettert. De wind huilt.
"Dit dorp bestaat niet echt." Hij draait zich niet om. "Niet op de manier waarop normale plaatsen bestaan. Het staat op geen enkele kaart."
"Dat wist ik al. Maar waarom?"
Nu draait hij zich wel om. Zijn ogen zijn vochtig. "Omdat het een val is. Altijd geweest. De brochures, de website, Astrid die al vijftig jaar dood is maar nog steeds mensen rekruteert—"
"Wacht." Je hart slaat over. "Astrid is dood?"
"Al decennia. Maar ze zit nog steeds in dat café in Oslo. Ze geeft nog steeds tickets aan wanhopige mensen." Erik lacht, maar het is geen prettige lach. "Dit dorp lokt ons hierheen. Mensen die niemand zal missen."
"Wie doet dit? Wie zijn 'ze'?"
Hij gaat weer zitten. Leunt naar voren, hoofd in zijn handen. "De dominee zegt: geesten van verdronken vissers. Maar dat klopt niet. Ze zijn ouder. Veel ouder."
"Hoe weet je dat?"
"Ik heb onderzoek gedaan. Jaren geleden, toen ik nog dacht dat antwoorden iets zouden veranderen." Hij kijkt op. "Er zijn verhalen die teruggaan tot de Vikingen. 'Het dorp dat honger heeft.' Een plek waar mensen werden gelokt om te voeden wat er leeft in de berg."
Je denkt aan het altaar. Aan de runen. "Wat betekenen die tekens? Op de steen?"
Erik sluit zijn ogen. "'Hier rust wat nooit sterft. Hier wacht wat altijd honger heeft.'" Een stilte. "'Hier eindigen de levenden en beginnen de eeuwigen.'"
De kou in je botten wordt intenser. Je rilt.
"Waarom vertel je me dit nu? Waarom niet eerder?"
"Omdat ik morgen ga proberen te ontsnappen." Hij staat op. "Bij het eerste licht. Er is een pad door de bergen, naar het zuiden. Als ik snel genoeg ben, als ik niet omkeijk..."
"Ga je het halen?"
Een lange stilte. Erik kijkt naar de grond. Naar het vuur. Naar alles behalve jou.
"Waarschijnlijk niet," zegt hij uiteindelijk. "Niemand heeft het ooit gehaald. Maar ik moet het proberen. Na Maren, na alles..." Hij kijkt je eindelijk aan. "Ik kan hier niet blijven. Ik word gek als ik blijf. Of erger."
"Laat mij meegaan."
De woorden zijn eruit voordat je kunt nadenken. Erik schudt zijn hoofd.
"Nee. Het is te gevaarlijk voor twee. Als een van ons het haalt, is het beter dat—" Hij stopt. "Bovendien heb jij nog iets te doen hier."
"Wat?"
"Dat weet ik niet. Maar ze hebben je hier gebracht om een reden. Jou specifiek. Je foto op die brochure, honderd jaar oud – dat is geen toeval. Je bent onderdeel van iets. Iets groters." Hij loopt naar de deur. "Zoek het uit. Ontdek waarom je hier bent. En als je het antwoord vindt..."
Hij opent de deur. De koude nachtlucht stroomt naar binnen.
"Als je het antwoord vindt, vertel het aan niemand. Niet aan Peder, niet aan Gunnar, niet aan wie dan ook. Vertrouw niemand." Hij kijkt over zijn schouder. "Zelfs mij niet."
En dan is hij weg.
Die nacht slaap je niet. Je zit bij het raam en kijkt naar de duisternis en denkt na over wat Erik heeft gezegd. Over de val. Over het dorp dat honger heeft. Over de reden waarom je hier bent.
Je denkt aan de brochure die je vond in het antiquariaat. Aan de manier waarop je ernaar werd getrokken, alsof een onzichtbare hand je leidde. Aan de vrouw – Astrid Lindqvist, die al vijftig jaar dood is – die tegenover je zat in een café en je een ticket gaf naar een plek die niet bestaat.
Je denkt aan de foto. Jij, honderd jaar geleden, staand tussen mensen die je nooit hebt gekend op een plek waar je nooit bent geweest.
Hoe is dat mogelijk?
De kou kruipt dieper. De duisternis wordt dikker. En ergens in die duisternis, ergens in die kou, fluistert iets je naam.
De volgende ochtend is Erik verdwenen.
Je wacht bij je raam tot de schemering aanbreekt. Je wacht tot de straten langzaam zichtbaar worden, tot de huizen contouren krijgen, tot de wereld weer iets wordt dat je kunt begrijpen. Maar Erik komt niet voorbij. Zijn huis – twee straten verderop, met de blauwe deur en de kapotte dakgoot – blijft donker.
Je trekt je jas aan. Je gaat naar buiten. Je loopt naar zijn huis, door sneeuw die hoger ligt dan gisteren, door kou die scherper is dan gisteren. De blauwe deur is dicht. De ramen zijn donker. Er is geen beweging, geen geluid, geen teken van leven.
Je klopt. Niemand antwoordt.
Je probeert de klink. De deur gaat open.
Binnen is het koud. Kouder dan buiten, wat onmogelijk zou moeten zijn. De kachel is uit, het vuur al lang gedoofd, de as koud en grijs. Er ligt sneeuw op de vloer – door een raam dat open staat, flappend in de wind.
Eriks bed is leeg. Zijn jas is weg. Zijn laarzen zijn weg.
Maar zijn rugzak – de rugzak die hij had gepakt voor zijn vlucht – staat nog steeds bij de deur.
Je doorzoekt het huis. Je vindt niets. Geen briefje, geen aanwijzing, geen teken van wat er is gebeurd. Alleen de kou, de sneeuw, en een stilte die te intens is om normaal te zijn.
Je loopt naar het raam dat open staat. Je kijkt naar buiten. De sneeuw op de vensterbank is verstoord, alsof iemand eroverheen is geklommen. En daaronder, in de verse sneeuw die vannacht is gevallen, zijn voetstappen.
Ze leiden niet naar het zuiden. Niet naar de weg die Erik had gepland te nemen.
Ze leiden naar de berg.
Je sluit je ogen. Je haalt diep adem. De kou vult je longen, vult je lichaam, vult alles.
Erik is niet ontsnapt.
Niemand ontsnapt.
Je loopt terug naar je eigen huis. Je gaat naar binnen. Je sluit de deur en draait het slot om en zit in de kou en de stilte en wacht op niets in het bijzonder.
De kou kruipt dieper.
De winter gaat door.
En jij bent nog steeds hier, gevangen in een dorp dat honger heeft, wachtend op een antwoord dat misschien nooit komt.