Snøfallvik
Hoofdstuk 9 – De Caravans
Een week na Eriks verdwijning vind je de caravans.
Je bent aan het wandelen – als je het wandelen kunt noemen, dit doelloze dwalen door de straten van het dorp op zoek naar iets, naar alles, naar een teken dat je nog leeft. De schemering is net begonnen, dat korte venster van licht dat elke dag korter wordt. Binnenkort zal er helemaal geen daglicht meer zijn, alleen de eindeloze nacht van de poolwinter.
Je loopt voorbij de haven, voorbij de laatste huizen, naar een deel van het dorp waar je nog nooit bent geweest. Het pad is overwoekerd – niet met planten, het is te koud voor planten, maar met sneeuw die zo hoog is opgestapeld dat je bijna moet graven om erdoor te komen. Niemand komt hier, besef je. Niemand is hier in lange tijd geweest.
En dan zie je ze.
Ze staan in een halve cirkel aan de rand van het bos, twaalf in totaal. Oude caravans, het soort dat je zou verwachten op een camping in de jaren zeventig – aluminium buitenkanten, kleine ramen, deuren die ooit wit waren maar nu grijs zijn van de verwaarlozing. Ze zijn bedekt met sneeuw en ijs, sommige zo dik dat je de oorspronkelijke vorm nauwelijks kunt zien.
Je loopt dichterbij. Je hart bonst sneller dan het zou moeten.
De eerste caravan die je bereikt heeft een naam op de zijkant. Vervaagd, bijna onleesbaar, maar nog net te ontcijferen: Familie Andersson, 1987.
Je loopt naar de volgende. De Jongs, 1992.
De volgende. Müller, 2003.
Elke caravan heeft een naam. Elke caravan heeft een datum. Ze strekken zich uit over decennia – de oudste uit 1978, de nieuwste uit 2019, slechts zeven jaar geleden.
Je trekt de deur van de eerste caravan open. Hij protesteert, het bevroren metaal krijst tegen het kozijn, maar hij geeft mee. Binnen is het donker en koud en ruikt het naar iets dat je niet kunt thuisbrengen – iets ouds, iets vergaans, iets dat al lang niet meer leeft.
De caravan is ingericht als een thuis. Er is een kleine keuken, een zithoek, een slaapgedeelte achteraan. Alles is bedekt met stof en ijs en de restanten van een leven dat abrupt is gestopt. Er staan borden op tafel – drie borden, met bestek ernaast, alsof de bewoners elk moment kunnen terugkeren voor hun maaltijd. Er liggen kleren over de stoelen. Er hangt een kalender aan de muur, opengeslagen op maart 1987.
Je doorzoekt de caravan. In een la vind je documenten – paspoorten, rijbewijzen, een handgeschreven dagboek. De paspoorten tonen drie gezichten: een man, een vrouw, een kind van een jaar of tien. De Anderssons. Een Zweeds gezin dat in 1987 naar Snøfallvik kwam, aangetrokken door dezelfde brochures, dezelfde beloftes.
Het dagboek is van de vrouw, besef je als je het openslaat. Haar handschrift is klein en net, de Zweedse woorden moeilijk te ontcijferen maar niet onmogelijk.
15 maart. We zijn aangekomen. Het dorp is mooier dan we dachten. De mensen zijn vriendelijk. Erik – onze gids, hij noemt zichzelf zo – zegt dat we ons hier thuis zullen voelen.
Erik. Je hart slaat over. Dezelfde Erik? Het kan niet. Dat zou betekenen—
Je leest verder.
22 maart. De nachten zijn vreemd hier. Johan zegt dat hij gezang hoort, maar ik hoor niets. Kleine Per heeft nachtmerries. Hij praat over 'de mensen in de sneeuw'. We zeggen dat het zijn verbeelding is, maar soms vraag ik me af...
3 april. De zon is niet meer opgekomen. Erik zegt dat het normaal is, dat het de poolnacht is, maar het voelt niet normaal. Het voelt alsof de duisternis ons opsluit. Alsof we gevangen zitten.
17 april. Per is verdwenen. We hebben overal gezocht. Erik zegt dat de storm hem heeft genomen. De storm? Wat betekent dat? Waar is mijn kind?
29 april. Ze zijn teruggekomen. Vannacht. Ze klopten op de deur. Per's stem, roepend om mama, roepend om binnen te mogen komen. Johan wilde opendoen, maar ik hield hem tegen. Ik weet niet waarom. Ik weet alleen dat het niet Per was. Niet meer.
12 mei. Johan is vannacht weggegaan. Hij zei dat hij Per ging zoeken. Hij is niet teruggekomen. Ik ben alleen. De stemmen zijn luider nu. Ze roepen mijn naam. Ze zeggen dat ik moet komen. Ze zeggen dat Johan en Per op me wachten. Misschien hebben ze gelijk. Misschien moet ik—
De tekst stopt daar. Midden in een zin. Midden in een gedachte.
Je legt het dagboek neer. Je handen trillen. Je ademhaling is snel en oppervlakkig.
Je doorzoekt de andere caravans. In elke caravan dezelfde scène – de tekenen van een leven dat abrupt is geëindigd, de persoonlijke bezittingen van mensen die dachten dat ze een nieuw begin hadden gevonden. Dagboeken, brieven, foto's van lachende gezichten die niet wisten wat hen te wachten stond.
In de caravan van De Jongs vind je een collectie krantenknipsels. Artikelen over verdwijningen – niet in Snøfallvik, maar in de echte wereld. "Gezin verdwijnt tijdens vakantie in Noorwegen." "Politie zoekt vermiste backpackers." "Mysterie rond verdwenen echtpaar blijft onopgelost."
In de caravan van Müller vind je iets anders. Een kaart. Een oude kaart van Noord-Noorwegen, met aantekeningen in de marges. Een van de aantekeningen is omcirkeld, onderstreept, met uitroeptekens erbij.
Snøfallvik staat niet op officiële kaarten. Bestaat sinds minstens 1200, mogelijk ouder. Verbinding met Sami-legendes over "het dorp dat eet". Verdwijningen gedocumenteerd sinds 1850, mogelijk al eeuwen eerder. WAAROM WEET NIEMAND HIERVAN?
Onderaan de kaart, in een ander handschrift, staat een laatste zin.
Omdat niemand ooit ontsnapt om het te vertellen.
Je neemt de kaart mee. Je neemt ook het dagboek van mevrouw Andersson mee, en de krantenknipsels, en alles wat je kunt dragen. Je loopt terug naar je huis met armen vol bewijsmateriaal van een misdaad die al decennia aan de gang is.
Want dat is wat dit is, besef je nu. Een misdaad. Niet een natuurfenomeen, niet een spookverhaal, niet het bijgeloof van primitieve dorpelingen. Een systematische lokking van mensen naar een plek waar ze verdwijnen. Jaar na jaar. Decennium na decennium. Misschien al eeuwen.
En niemand stopt het.
Niemand kan het stoppen.
Je bent thuis als de duisternis valt. Je spreidt je vondsten uit op de keukentafel en bestudeert ze bij het licht van de olielamp. De patronen zijn duidelijk als je weet waar je moet kijken. Mensen komen in de herfst, als de brochures op mysterieuze wijze opduiken. Ze verdwijnen in de winter, een voor een, genomen door de storm of geleid naar de berg. En in de lente – als er een lente zou zijn – is er niemand meer over.
Behalve de vaste bewoners. De vissers, de vrouwen, de dominee. Degenen die hier altijd al waren, die hier altijd zullen zijn.
Zijn zij de daders? Of zijn zij ook slachtoffers – gevangen in een val die ze niet begrijpen, gedwongen om mee te werken aan iets wat groter is dan zij?
Je denkt aan Erik – de Erik die je kende, maar ook de Erik uit 1987, die de Anderssons verwelkomde. Dezelfde naam. Dezelfde rol. Is het dezelfde persoon? Kan iemand veertig jaar dezelfde man zijn zonder te veranderen, zonder ouder te worden?
Of is "Erik" niet een persoon, maar een functie? Een rol die wordt gespeeld door... door wat?
Er wordt geklopt.
Je verstijft. Het is diep in de nacht – je hebt geen idee hoe laat, de tijd heeft alle betekenis verloren in dit land zonder zon. Het kloppen komt van de deur. Drie keer. Langzaam.
Je beweegt niet. Je zegt niets.
Weer drie klopjes. Harder.
"Ik weet dat je wakker bent." De stem is mannelijk. Oud. Bekend. "Ik zag het licht door het raam."
Gunnar.
Je aarzelt. Je herinnert je Eriks woorden – vertrouw niemand – maar Gunnar is niet zoals de anderen. Gunnar heeft je gewaarschuwd. Gunnar heeft je de waarheid verteld, of in ieder geval een deel ervan.
Je opent de deur.
De oude visser staat op de stoep, gehuld in een dikke jas, zijn gezicht nauwelijks zichtbaar onder een wollen muts. Zijn ogen glinsterend in het lamplicht.
"Je hebt de caravans gevonden," zegt hij. Het is geen vraag.
Je knikt.
"Dan weet je nu meer dan goed voor je is." Hij kijkt om zich heen. "Mag ik binnenkomen?"
Je stapt opzij. Hij gaat zitten aan de tafel, kijkt naar de documenten. Zijn handen trillen.
"De Anderssons." Hij wijst naar het dagboek. "Ik herinner me ze. Vol hoop toen ze aankwamen." Een stilte. "Het kind verdween eerst. Toen de man. Toen de vrouw. Zo gaat het altijd."
"Waarom?"
Gunnar kijkt niet op. Zijn vingers glijden over de vergeelde pagina's. "Omdat het moet eten."
"Jullie hebben nooit geprobeerd het te stoppen?"
Hij lacht – een kort, hol geluid. Maar hij geeft geen antwoord. In plaats daarvan staat hij op en loopt naar het raam, zijn rug naar je toe.
"Erik," zeg je. "Hij was ook een nieuwkomer, nietwaar? Net als ik."
Gunnar verstijft. Zijn schouders spannen zich.
"Hij ging een nacht de berg op. Alleen." Zijn stem is nauwelijks een fluistering. "De volgende ochtend was hij terug. Maar anders. Zijn ogen. Zijn glimlach."
Je denkt aan Erik. Aan zijn waarschuwingen. Aan zijn poging om te vluchten. "Hij was al een van hen. Al die tijd."
Gunnar draait zich om. Er ligt iets in zijn ogen – hoop of wanhoop, je weet het niet.
"Maar jij bent anders. De berg roept iedereen, maar jou... jou niet." Hij loopt naar je toe. "Die foto. Jij, honderd jaar geleden. Dat betekent iets."
"Wat?"
"Dat weet ik niet." Hij legt een hand op je schouder. Zwaar. Koud. "Maar zoek het uit. Misschien – misschien is er eindelijk een manier om dit te stoppen."
Hij loopt naar de deur. Stopt. Kijkt over zijn schouder.
"Maar wees voorzichtig. De berg weet dat je zoekt. En het houdt niet van nieuwsgierige mensen."
Dan is hij weg.
Je blijft achter met je documenten, je vragen, en een waarheid die zwaarder weegt dan alle sneeuw buiten.
Je bent anders.
Maar wat betekent dat?