Snøfallvik
Proloog – De Vloek
Erik Halvorsens ogen gingen open.
Wijd open. Leeg. Er zat niets in – geen licht, geen herkenning, geen Erik. Alleen een leegte zo diep en zo koud als de fjord in december.
Zijn vrouw, Ingrid, deinsde achteruit. Ze had hem die avond nog horen hoesten, had zijn koude hand vastgehouden terwijl de koorts zijn lichaam verscheurde. Om middernacht had ze zijn laatste adem gevoeld, had ze zijn ogen dichtgedaan, had ze een laatste kus op zijn voorhoofd gedrukt.
Maar om drie uur 's nachts – op de zesendertigste dag van de storm die Snøfallvik in zijn greep hield – stond Erik op.
De sneeuw viel. Altijd viel de sneeuw hier, maar deze winter was anders. Drie maanden lang, zonder ophouden. De voorraden waren geslonken. De vissers konden niet uitvaren. Eerst stierven de ouderen. Toen de kinderen. En toen begonnen de lichamen te verdwijnen.
Niet de levenden. De doden.
's Nachts, als de wind huilde, verdwenen ze uit kelders en kisten, uit de armen van huilende ouders. Elke ochtend waren er voetstappen in de sneeuw. Voetstappen naar de berg – de Slagtertind, de Slachtberg. Vergezeld door kleinere sporen. Blote voeten. Kindervoeten. De voeten van de doden.
En nu liep Erik naar buiten.
De sneeuw raakte hem niet. De wind boog om hem heen. En toen hij zich omdraaide, één keer, om naar het huis te kijken waar hij zeventien jaar had gewoond, glimlachte hij.
Het was geen glimlach van Erik.
Ingrid zou later vertellen – aan degenen die wilden luisteren, aan degenen die haar niet voor gek verklaarden – dat zijn mond bewoog. Dat hij iets fluisterde voordat hij verdween in de sneeuw. Drie woorden, nauwelijks hoorbaar boven de wind.
Kom met mij.
Die nacht volgden meer dan twintig mensen hem. Sommigen dood. Sommigen stervend. Sommigen – en dit was het ergste – kerngezond. Ze liepen in een stille processie door de straten van Snøfallvik, de berg op, het bos in. De wind droeg flarden mee van wat klonk als gezang. Een melodie die niemand kende. Woorden in een taal die niemand verstond.
Niemand die volgde kwam ooit terug.
De overlevenden – er waren er nog maar zevenentwintig – vluchtten de volgende ochtend. Ze namen niets mee. Geen kleding, geen voedsel, geen herinneringen. Ze renden het dorp uit alsof de duivel zelf hen op de hielen zat. En misschien was dat ook zo.
Het dorp bleef achter. Leeg. Wachtend.
Maar niet voor lang.
Want ergens in een houten kist in het gemeentehuis lagen de brochures. Honderden, nee, duizenden brochures, allemaal identiek. Gedrukt op dik, crèmekleurig papier. Op de voorkant stond een tekening van een ideaal dorp – rookpluimen uit schoorstenen, kinderen in de sneeuw, een visser die zwaaide vanaf zijn boot.
Welkom in Snøfallvik, stond er in sierlijke letters. Waar de winter eeuwig duurt en de zomer nooit komt. Waar de doden niet sterven en de levenden niet ontsnappen.
De brochures wachtten geduldig.
Ze hadden alle tijd.
En bijna tweehonderd jaar later – in antiquariaten in Oslo, op rommelmarkten in Stockholm, in online veilingen waar niemand vraagt hoe de verkoper eraan gekomen is – circuleren ze nog steeds. Ze vinden altijd hun weg naar de juiste persoon. Naar iemand die zoekt. Naar iemand die wil ontsnappen. Naar iemand die gelooft dat ergens, in de stilte van de Noorse wildernis, een nieuw begin mogelijk is.
De sneeuw valt.
En jij – jij staat op het punt om de brochure te vinden.
Of misschien heeft de brochure jou al gevonden.